Dorpen: America · Broekhuizen · Broekhuizenvorst · Evertsoord · Griendtsveen · Grubbenvorst · Hegelsom · Horst · Kronenberg · Lottum · Meerlo · Melderslo · Meterik · Sevenum · Swolgen · Tienray
Buurtschappen: Broek (Horst) · Broek (Sevenum) · Broekeind · Californië · Eikelenbosch · Elshout · Genenberg · Gun · Hazenhorst · De Hees · De Heide · Hei-Oostenrijk · Homberg · Houthuizen · Keuter · Legert · Lovendaal · Megelsum · Most · Ooijen · Osterbos · Raaiend · Schadijk · Steeg · De Steegh · Stokt · Tongerlo · Ulfterhoek · Veld-Oostenrijk · Vinkepas · De Vorst · Wielder · Zeelberg · Zwaanenheike · Zwarte Plak
John Jansen v Galen
WATER IS HET BLOED
VAN DE PEEL
NEERKANT-GROOTE PEEL-MEIJEL
Negen kwartier na vertrek uit Amsterdam ben ik op 'pelgrimspad'. Altijd weer blijken zelfs de uithoeken van Nederland binnen enige uren bereikt te kunnen worden, al wordt de lijn van Deurne naar Venlo op zaterdag slechts mondjesmaat onderhouden, zodat het goed was dat ik vooraf het telefoonnummer voor inlichtingen over het openbaar vervoer belde. 'Waar wilt u precies zijn?' 'Zo halverwege Liessel en Neerkant.' 'Daar heb ik niets aan, meneer, ik moet een adres weten, voor de computer.' Over de Vossenbaan gaat het op de Groote Peel aan. Uit lange, dichte schuren walmt een zurige stank. Om het andere huis staat een bord in de tuin met de woorden: 'Den Haag, wij zijn 't zat.' Wat men zat is, waarom en wat Den Haag eraan zou kunnen doen, staat er niet bij. Maar juist doordat nadere specificatie ontbreekt krijgt de leuze de bijzondere zeggingskracht van pure onvrede, de fameuze 'kloof tussen burger en politiek' bondig verwoord: Den Haag, wij zijn 't zat.
Een van de boeren is al overgestapt op struisvogels. Nieuwsgierig kijken de dieren over de heining naar de voorbij stappende wandelaar en volgen mij parmantig op hun zware poten tot ze niet verder kunnen. Een struisvogelfarm in Oost-Brabant: het platteland is in de rui. Een voormalige boerderij herbergt een religieuze commune, het 'orthodox klooster Geboorte van de Moeder Gods'.
26
Er loopt een pad de Peel in, maar je moet met je voeten onder het hoge gras tasten om het te vinden. Ik schrik als een patrijs vlak voor mij opvliegt en onder het trommelvuur van zijn vleugelslag een goed heenkomen zoekt, maar lang sta ik er niet bij stil, want steekvliegen zijn in de aanval. 'Water is het bloed van de Peel,' verkondigt een paneel. Het is een seizoen van bloedarmoede; het heeft te lang te weinig geregend en er zijn verboden uitgevaardigd aan de boeren om hun land te 'beregenen'.
Een ven staat volkomen droog, verdorde zwarte pollen steken omhoog uit een donkere gebarsten veenbodem.
Uitgestrektheid is de charme van de Peel, haast onafzienbare vlakten begroeid met heide en wuivend pijpestrootje. Ik heb altijd gedacht dat de Peel al zo woest en ledig was voordat er mensen aan te pas kwamen, maar in het bezoekerscentrum word ik gewaar dat het gebied leeg gemaakt is, in het kader van de turfwinning. De bomen en struiken die er groeiden zijn in brand gestoken, in een vuurzee die alles blakerde en sloopte.
Om de turf snel te laten drogen moest de wind vrij spel hebben. De romantische leegten van de Peel zijn door mensenhand teweeggebracht. Is er wel iets in Nederland 'oorspronkelijk'? 'Kijk, dat is turf' zegt een mevrouw in het bezoekerscentrum. 'Nee, oma, hout,' zegt het jochie. Zij houdt vol, maar hij ook, hij heeft nooit turf gezien. Ik herinner mij de grove bruine broodjes die bij ons thuis in het schuurtje lagen opgestapeld, als brandstof om het vuur aan de gang te maken. Wanneer ik, eigenwijs jochie, zei dat sommige zaken er beter voor gestaan zouden hebben als ('as') ze anders verlopen waren, zei mijn moeder kortaf: 'As is verbrande turf.' Het is vreemd te bedenken dat hier nog een generatie geleden, tot in de jaren zeventig, turf gewonnen werd. Maar de sluiting van de kolenmijnen was toen al begonnen en de verwachting was dat de oude, fossiele bronnen van energie vervangen zouden worden door brandstof uit moderne schone
27
kerncentrales. Verbeten, strijdbare betogers kwamen in het geweer tegen kernenergie, de rampen in Harrisburg en Tsjer- nobyl bevestigden hun angst en deden de rest. Zo raakte kernenergie in de ban. Gelukkig hadden we het aardgas nog. Maar als dat op is, wat moeten we dan?
Bij de oude hoeve waarin het bezoekerscentrum is gevestigd, staan slanke paarden in de schaduw van zware bomen; de kiosk verkoopt 'bosbier' en 'turfplak', een soort ontbijtkoek.
Het centrum heet 'Mijl op Zeven', naar een ouderwetse uitdrukking die op haar beurt verwijst naar de plaatsen Meijel en Sevenum. Vroeger was de Peel 'een weeke drassige streek Lants, daar nauwelijks een mens over kan gaan'. Om uit Deur- ne in Sevenum te komen, moest je om de veenmoerassen heen, helemaal via het dorp Meijel, het was een mijl op zeven.
Uit de vennetjes steken zwarte, grillig gevormde knoesten omhoog, resten van bomen van vele eeuwen her, die bewaard bleven in het veen en 'veenlijken' heten; ook noemt men ze wel 'kienhout' of'Peelpuisten'. De mannen in de Peel hadden er de schurft aan, omdat ze het baggeren en steken van het veen bemoeilijkten. Maar de vrouwen kregen het knoestige hout van de veenlijken graag in huis, want het is rijk aan fosfor. Ze staken het aan en lieten het gloeien om kaarsen uit te sparen. Nu nog kun je bij avond de stompen zien oplichten boven het spiegelend water in de vennen.
Veel rechte en lange paden, begroeid met gras: het zijn de oude 'Peelbanen' waarover de gewonnen turf vervoerd werd, die 'bankje voor bankje' afgestoken was door de veenboer en zijn gezin, zo'n dertigduizend bankjes per jaar. Aan het eind van de vorige eeuw namen kapitalistische maatschappijen de vervening over, het veen werd nu op grote schaal geëxploiteerd en voortaan moest een veenarbeider met zijn helper wel vijfduizend bankjes per dag steken. Het zelfstandige ambacht was opgeslorpt door wat de 'maatschappijvervening' heet. Het kan een bruikbare term zijn in het actuele politieke debat: lei-
28
den marktdenken en privatisering niet tot maatschappijverve- ning?
Over knuppelbruggen, bedoeld om de recreant met droge voeten over het verveende land te loodsen, ga ik in de richting van Meijel. De hitte trilt boven vliegdennen, op de oever van een heideplas staat een ooievaar. Vorstelijk neigen zich adelaarsvarens over de veengrond. Helderblauwe libellen dansen boven het pad. Volgens de kaart is dit het 'Eeuwige Leven'. In de vooravond is het volkomen verlaten. In de verte een bosrand van berkenstammen. Waarom stemmen berken weemoedig?
Ze hebben iets vergankelijks, ze lijken te teer haast voor een bestaan in de ruwe natuur.
De toren van Meijel is van verre te zien, hoog boven de bossen, als een oud baken voor de dolende wandelaar. Maar als ik in het dorp de kerk bereik zie ik dat hij pas in 1955 is voltooid.
Veel is hier verwoest, eerst in 1940, bij de opmars van de Duitsers, toen in 1944, bij de opmars van de Amerikanen. Bij oorlog en verwoesting denken we aan het bombardement van Rotterdam, maar heel Nederland draagt littekens uit die jaren.
Meijel bestaat helemaal uit gebouwen die niet ouder zijn dan debevrijding.
Al voor de oorlog begon de Nederlandse regering in de Peel gronden op te kopen. De ondoordringbaarheid van het gebied kwam goed van pas om een eventuele vijand uit het Oosten te laten stranden in de Peel-stelling. Geholpen heeft het niet, hooguit een etmaal, en na de bevrijding was de oorlog te groot geworden om zich nog te laten tegenhouden door een strook zompig land. Maar de aankoop van gronden werd voortgezet, niet voor het behoud van de natie, maar voor het behoud van natuur.
Er is een hotel De Zwaan, een Oranjehotel en een hotel Meijel: ik kies het laatste, verlicht met drie sterren in neon. De man aan de receptie laat mij een formulier invullen met mijn persoonlijke gegevens. 'Want als ik illegalen huisvest, kan ik
29
vijfjaar krijgen,' zegt hij. Ofik mijn paspoortnummer nietver- geet op te schrijven. Regelmatig komt er namelijk 's nachts marechaussee over de vloer, voor controle. Zou de jacht op illegalen werkelijk zo intensief geworden zijn? En hoe groot is de kans dat ze in driesterrenhotels logeren?
Ik krijg, met uitzicht op de kerktoren, de kamer aan de achterzijde waar ik nooit om durf te vragen. Mijn generatie is ingepeperd dat je niet 'tot last' mag zijn en dat gaat niet meer over.
In een hotel voel ik mij altijd een beetje de logé en ik toon mij dankbaar als ik, al loopt het tegen achten, nog een maaltijd kan bestellen. In de gangen hangen schilderijtjes met taferelen in pasteltinten, waar niemand zich aan kan ergeren; in het nachtkastje ligt de bijbel voor het grijpen.
Na het diner kuier ik door Meijel, langs het Wekkermuseum en de dancing Pannesjop, waarop een replica van het Vrijheidsbeeld prijkt; vier jongelui staan landerig in de deuropening. Een man op de fiets haalt patat in de Kwalitaria. Café De Vangrail adverteert een feestprogramma: 'donderdag Body Painting (Ontdek je plekje), vrijdag Ginger (Weerter topforma- tie), zaterdag Dikke Leo (Gezelligheid kent geen tijd).' In de zijstraten heersen de doodse stilte en verlatenheid van een dorp op zaterdagavond; gedempt lamplicht achter aangeharkte tuinen met gemillimeterde gazons en het schijnsel van de televisie.
De volgende ochtend baadt het Raadhuisplein in het zonlicht en de rust. Het enige levende wezen dat zich vertoont is een jogger. Van het terras is een stoel omgegooid en een andere ligt neergesmeten voor het gemeentehuis: dorps vandalisme. In een vitrine hangen 'openbare kennisgevingen'. Veel gaan 'ingevolge de Wet Milieubeheer' over de intrekking (voor '81 vleesvarkens', '99 vleesvarkens') van ooit verleende vergunningenvoor de varkenshouderij. Den Haag, wij zijn 'tzat.