Bloemen hebben vlinders nodig. En omgekeerd. Zo is de biodiversiteit een gigantisch netwerk van relaties tussen planten en dieren. Soms één op één, andere keren werken meerdere soorten met elkaar samen.
Maar steeds vaker gaan relaties kapot. De boswachter treedt dan op als relatietherapeut, zoals we zien op de Sint-Pietersberg. TEKST: Frans Bosscher
oven D'n Observant dansen koninginnenpages op en neer.
Mannetjes trekken zo de aandacht van vrouwtjes. Hilltopping wordt het fenomeen meestal genoemd, maar het Duitse Gipfelbalz geeft beter weer waar het om draait: een baltsvlucht op het hoogste punt in de omgeving. Ook parelmoervlinders, zandoogjes en blauwtjes doen aan hilltopping.
Vooral bij de grote, fraai gekleurde koninginnenpages ziet het er spectaculair uit.
D'n Observant is het hoogste punt van de Sint-Pietersberg. Het is een bult van zo'n 70 meter die op de Pietersberg - die 100 meter hoog is - ligt. Het is dus een bult op een bult, gemaakt van grond die is weggegraven om bij de mergel te komen. De hoogte, de hogere temperaturen, de kalkrijke bodem en het gevarieerde landschap maken dat de Sint-Pietersberg een van de twee vlinderbolwerken in ons land is,
de Hoge Veluwe is de andere. 40 van de 53 soorten dagvlinders zijn op de berg te vinden. "Het is een triple A-gebied", zegt Herman Peeters, die er al dertig j aar vlinders telt, "met vlinders als bruin dikkopje, dambordje, klaverblauwtje, veldparelmoervlinder, boswitje, sleedoornpage en staartblauwtje. De meest bijzondere is wat mij betreft de braam- parelmoervlinder, een soort die vanuit het zuiden langs de Maas naar het noorden trekt.
Overal in ons land gaat de vlinderstand achteruit, maar hier gaat het goed, vooral wat betreft het aantal soorten."
Plantenliefje
De Sint-Pietersberg is nu vooral aantrekkelijk voor vlinders die het moeten hebben van graslanden, bosranden en bossen. Maar de ENCI-groeve is teruggegeven aan de natuur, zal er een kalkmoeras tot ontwikkeling komen, een leefgebied voor weer andere vlinder soorten. Het is een complex spel van omstandigheden waardoor zoveel vlinders het zo goed doen hier bij de Limburgse hoofdstad. Dankzij de warmte en de kal- krijke bodem zijn er graslanden met de hoogste diversiteit aan planten per vierkante meter. Hier bloeien soorten met tot de verbeelding sprekende namen als bleke hoornbloem, smal fakkelgras, kandelaartje, goudhaver, grasklokje, grote centaurie, kleine bevernel, knikkende distel en rode ogentroost. Al die planten zijn trekpleisters voor vlinders. Ze eten de nectar en zetten hun eitjes erop af. In de loop van de evolutie hebben vlinders de boel daarbij verdeeld.
Elke vlindersoort heeft z'n eigen planten- liefje of -liefjes. Je hebt dus alleen veel vlindersoorten als er ook veel plantensoorten zijn.
Alle vormen van leven
Sommige soorten zijn zelfs muzikaal en gedragen zich sirenen. Zo verleidt het groentje, die tot de familie van de blauwtjes behoort, mieren in bij de voortplanting. De pop - het stadium waarin de rups verandert in een volwassen vlinder - trekt de aandacht
van mieren met een geluidje. Die nemen de pop mee in hun nest. Na overwintering komt de vlinder uit de pop en gaat zijns weegs. Er zijn aanwijzingen dat er van de piepjes die de poppen maken, dialecten bestaan.
De vlinderrijkdom op de Sint-Pietersberg kan er alleen maar zijn dankzij de vele relaties: tussen vlinders en planten, tussen planten en de bodem, tussen de bodem en het landschap, tussen het landschap en het klimaat. Het illustreert dat biodiversiteit zoveel meer is dan een optelsom van planten- en diersoorten.
Letterlijk betekent biodiversiteit: verscheidenheid van leven. Daar horen alle vormen van leven bij, van de Marianentrog tot de Mount Everest, van de evenaar tot de polen, van de kleinste micro-organismen tot de grootste walvissen. Hoeveel soorten dat zijn, is nog een raadsel. Er zijn nu 1,9 miljoen bekend; daarvan komen er 40.000 in ons land voor. Maar wetenschappers schatten dat er meer dan 10 miljoen soorten op aarde zijn. En dan tellen ze bacteriën niet mee.
Van de soorten die tot nu toe zijn ontdekt, zijn 1 miljoen insecten, 310.000 planten en 62.000 gewervelde dieren (vissen,
amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren).
Vooral van insecten en bacteriën is maar een klein deel bekend. Al die individuen leven niet op zich. Ze kunnen alleen bestaan dankzij de anderen. Bloemen hebben bijen nodig voor de bestuiving, veel bomen kunnen niet zonder schimmels, verschillende walvissoorten zijn nergens zonder plankton, veel vogels overleven alleen dankzij insecten, mensen functioneren niet zonder planten, ga zo maar door.
Variatie aan ecosystemen
Die miljoenen planten- en diersoorten hebben zich in de loop van vele duizenden jaren aangepast aan de omgeving waarin ze leven.
De een weet te overleven in de woestijn, de ander in zee, en alles wat ertussen zit.
Klimaat, bodemtype, luchtkwaliteit en aanwezigheid van water (zoet of zout) zijn factoren die bepalen hoe een omgeving eruitziet. Of het gaat om regenwouden, koraalriffen, hoogvenen, rivierbossen, beek- dalen, elk landschapstype heeft z'n eigen verzameling aan soorten die zich daar helemaal thuis voelen. Een landschap vormt samen met z'n bewoners een eigen samen-leving: een ecosysteem. De grote variatie aan ecosystemen is daarom ook deel van de biodiversiteit.
De aanpassing van al die planten en dieren aan hun omgeving geeft ze een eigen set aan eigenschappen. Die hebben ze in de loop van de tijd verankerd in hun DNA. Van een afstandje lijken de ruim twintig muizensoor- ten in ons land best veel op elkaar. Toch is de een groter dan de ander, heeft de één een bruine vacht, de ander een grijze, kan de een zwemmen, de ander klimmen. Bij de 360 wildebijensoorten eenzelfde verhaal. Daar komt nog bij dat mannetjes en vrouwtjes van dezelfde bijensoort er ook flink verschillend kunnen uitzien. Een wilde appel in het bos heeft een ander DNA dan de elstar in de boomgaard. Ook dat is verscheidenheid van leven, ook dat is biodiversiteit.
Onontdekte soorten verdwijnen
Die aanpassing aan de omgeving ging in de 4,5 miljardjarige geschiedenis van de aarde niet van een leien dakje. Het eerste leven ontstond zo'n 3,5 miljard jaar geleden en bestond uit bacteriën en eencelligen. 1,5 tot 2 miljard jaar later ontstond een groep
organismen waar planten en dieren bijhoren.
Daarna kwamen en gingen soorten. In zes perioden stierven er extreem veel soorten uit. Een bekende periode is die van 65 miljoen jaar geleden, toen onder meer dinosauriërs van de aardbodem verdwenen.
We zitten nu middenin de zesde uitster- vingsgolf. De snelheid waarmee soorten momenteel uitsterven ligt hoger dan tijdens de golf die de dino's de das omdeed. Het natuurlijke uitsterftempo is een tot twee soorten per tien jaar. Dat gaat nu honderden, mogelijk duizenden, keren sneller. In belangrijke mate is dat het gevolg van het succes waarmee de mensen zich over de aarde hebben verspreid. Een droevige constatering: overal waar de mens opduikt, verdwijnen planten en dieren. Met name grote en langzame dieren leggen het loodje door vernietiging van leefgebieden en jacht. Zij zijn de bekende en zichtbare verliezers, maar met het verdwijnen van hun leefgebieden verdwenen ook duizenden soorten die nog niet eens zijn ontdekt. Wetenschappers maakten een reconstructie van de omvang van de achteruitgang. Voor de hele wereld was in 2010 nog 70 procent van de oorspronkelijke biodiversiteit over, voor Europa was dat bijna 50 procent en voor Nederland 15 procent.
Specialisten zijn kwetsbaar
De afname gaat nog altijd door. Met name de specialisten onder planten en dieren zijn kwetsbaar. Zij hebben het meeste last van bekende bedreigingen van de natuur, zoals verdroging, vervuild water, overmatig veel meststoffen en isolement. Als in een hoogveengebied honderden fitissen broeden omdat er door verdroging een bos groeide, kun je dat moeilijk biodiversiteitswinst noemen als tegelijkertijd de laatste grauwe klauwieren en tureluurs verdwijnen. Zo zijn de planten en dieren die zich aanpasten aan bepaalde omstandigheden, in het nadeel ten opzichte van soorten die met een grotere variatie aan omstandigheden kunnen omgaan. De specialisten leggen het af tegen de opportunisten, zou je kunnen zeggen.
Vogels als kraaien en reigers zijn zulke opportunisten, weidevogels niet. Die vind je in gebieden met natte bodems, omdat ze daar hun voedsel (bodemdieren) uit kunnen halen. Het moeten ook open gebieden zijn,
want ze broeden op de grond en willen niet gevonden worden door rovers die vanuit bomen of andere hoge posities hun nesten kunnen opsporen. In die natte en open gebieden zijn dan ook nog eens veel bloeiende planten een vereiste, want dat betekent dat er insecten zijn. En weidevogels eten alleen en uitsluitend insecten.
Schapen als pakketbezorgers
Ook de diverse vlindersoorten stellen vaak ook heel specifieke eisen aan hun leefomgeving, zien we op de Sint-Pietersberg.
Het plaatst de beheerder voor de nodige uitdagingen, vertelt ecoloog Gaby Bollen van Natuurmonumenten. "We moeten die bijzondere graslanden bijvoorbeeld in goede conditie houden, zodat de planten zich optimaal kunnen ontwikkelen. Dan blijft de diversiteit behouden. Maar ook hier hebben we te maken met stikstofneerslag. Als je niet oppast, gaan planten als witbol en brandnetel overheersen. De meeste planten hier zijn aangepast aan de extreme omstandigheden die we soms hebben: voedselarm, droog en warm, 's Zomers is het een bakplaat."
mergellandschaap
Om die planten te beschermen, zetten de boswachters maaimachines en schapen in. "Maaien kun je heel gericht doen, op het juiste moment op de goede plek. Ook op plekken waar de schapen niet komen. Het voordeel van de schapen is dat ze via hun vacht zaden verspreiden. Ze zijn als het ware de pakketbezorgers van planten. Met hun getrappel maken ze open plekjes, waar zaden kunnen kiemen. En doordat ze her en der keutels achterlaten, krijg je variatie in schrale en wat minder schrale stukken. Het is echter van belang dat er het hele jaar door voedsel beschikbaar is voor vlinders. Daarom zetten we hekken rondom stukken waar niet gegraasd mag worden. Daar blijven dan bloemen staan waar vlinders van kunnen eten en waar ze hun eitjes op kunnen af zetten."
Structuur intact
Van groot belang is ook dat vlinders zich kunnen verplaatsen van het ene naar het andere leefgebied. Daarom maken de boswachters corridors door het gebied. "In die corridors moeten ze kunnen opwarmen en nectar kunnen vinden", zegt Gaby. "We maken er glooiende zones, waarin bloeiende
planten en struiken groeien. Daarvoor kappen we wat bomen weg. Dat ziet er even heftig uit, maar al vrij snel krijg je een mooie schuine structuur langs het bos, met veel zonlicht en dus een afwisselende laag met bloeiende planten." Daarmee zijn nog niet alle vlinders bediend. Het eerdergenoemde groentje heeft voor z'n voortplanting mieren nodig. Gaby: "Door ervoor te zorgen dat de structuur in graslanden intact blijft, kunnen mieren er hun nesten maken."
Voor de verdere toekomst is Natuurmonumenten met verschillende partijen in overleg om verbindingen te maken naar natuurgebieden die wat verder weg liggen, zoals het Belgische deel van de Sint- Pietersberg het Jekerdal. "Als zich dan in een van die gebieden een calamiteit voordoet, zoals een grote droogte of een brand, kunnen vlinders uit de andere gebieden er een nieuwe populatie beginnen."
Zo zijn boswachters dus steeds bezig om de relaties tussen planten, dieren en hun omgeving te herstellen en te versterken.
Zo beschouwd zou je boswachters de relatietherapeuten van de natuur kunnen noemen. 4
Wat kun jij doen
● Zetveelverschillende planten in je tuin of op je balkon. Als je een groot deel van hetjaar bloeiende planten hebt, is er altijd voedsel voor insecten, vlinders en vogels, en dus ook voor wormen, egels en andere dieren.
● Let er bij de aankoop van planten op dat het om inheemse soorten gaat.
Insecten kennen die soorten. Ze eten ervan en leggen hun eitjes erop.
● Maai en snoei niette vaak. Insecten gebruiken planten en struiken ook als plek om te schuilen en voor hun nesten.
Nogveel meertipsomjetuin biodivers te maken vind je op nm.nl/tuin

----------------------

OeHOES

Hard hoofd
De grote oogballen worden stevig op hun plek gehouden door botachtige structuren in de schedel. Daardoor kan een uil zijn ogen niet draaien. De oren zitten niet bij de oorpluimen, maar veel verder naar achteren op de kop.
Nachtkijker
De oehoe dankt zijn naam aan het geluid dat hij maakt. De uil rust overdag en jaagt 's nachts, want ook met weinig Echt houdt hij scherp zicht. Sinds 1997 zijn de oehoes (terug) in Nederland Een groeiend aantal oehoe' paren broedt in de voormalige groeve van de Sint-Pietersberg in Limburg.
TEKST: Astrid Schoenmaker BEELD: Inge van Noortwijk
Vliegende schotelantenne
Meteen spanwijdte van 170 cm is de oehoe de grootste uil van Europa, maar ondanks zijn omvang is er geen prooi die hem aan hoort komen. Door de speciale structuur van de veren vliegt de oehoe geruisloos. De beweeglijke oorpluimen houdt hij daarbij straktegen zijn kop. Een oehoe kan heel goed horen. De verenkrans rond zijn ogen of het gezichtsmasker, werkt als een schotelantenne: het vangt elk geluidje op en versterkt dat.
33
270° in het rond
De nek van de oehoe is opgebouwd uit 14 wervels, twee keer zoveel als bij zoogdieren. Die uiterst flexibele nek maakt dat hij goed om zich heen kan kijken, zijn kop kan de oehoe met gemak 270 graden laten draaien. De aders en slagaders in de nek zijn extra langwaardoorze hierbij niet in de knel komen.
Van prooi totbraakbal
Een jagende oehoe pakt wat hij pakken kan. Met zijn vlijmscherpe klauwen grijpt de uil zijn prooi stevig vast. Meestal vangt hij kleine zoogdieren, zoals muizen, ratten en konijnen. Maar hij vangt ook vogels, insecten, amfibieën en reptielen. Die gaan aan een stuk naar binnen: wat hij niet kan verteren, braakt hij uit. In zo'n braakbal vind je bijvoorbeeld vogel botjes en dekschilden van kevers.
Oogbeschermers
Dé oehoe heeft grote oranjerode ogen. Een derde ooglid, het knipvlies, beschermt het oog tijdens de jacht. Het is doorzichtig zodat hij aal jagend wel alles goed kan blijven zien, d
Scherp zien
Net als bij ons zitten er in het netvlies van het oog lichtgevoelige cellen. Bij de oehoe zijn dat enorme hoeveelheden staafjes.
Daardoor heeft de uil maar heel weinig licht nodigom toch scherp te zien, en kan hij 's nachts jagen. Kleuren ziet hij niet, alleen grijstinten.

zie fotos ohoe