De Latijnse School
De Latijnse School van Deventer was van ca. 1150 tot 1848 een school voor voortgezet onderwijs. Erasmus ging hier naar school van 1478 tot 1485, toen hij vanwege de pest de stad ontvluchtte. Erasmus kreeg er typisch middeleeuws onderwijs met vooral ook veel les in het Latijn. In die tijd spraken en schreven geschoolde mensen in het Latijn. Ook de bijbel was in het Latijn geschreven. Erasmus kreeg echter ook les in het Oudgrieks, een andere klassieke taal uit de tijd van de Grieken en Romeinen, en maakte er kennis met het humanisme. Later in zijn leven ontwikkelde hij zich tot het boegbeeld van het humanisme in Nederland. Door zijn kennis van het Oudgrieks stelde hij vast dat de Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament fouten vertoonde en maakt hij een nieuwe vertaling vanuit het Oudgrieks. Later kreeg Erasmus het verwijt dat hij daarmee de basis had gelegd voor de reformatie. De theoloog Maarten Luther gebruikte namelijk de vertaling van Erasmus voor een eigen vertaling naar het Duits, zodat ook het gewone volk de bijbel kon lezen. Op de Latijnse school werd onderwijs gegeven in de zeven artes liberales of vrije kunsten, ingedeeld in een trivium: grammatica (taalkunde), retorica (effectief spreken) en dialectica (logisch redeneren) en een quadrivium: aritmetica (getallenleer), geometrica (meetkunde), astronomia (sterrenkunde) en musica (harmonieleer). Latijn en logica groeiden uit tot de belangrijkste vakken.