Verklaring van enkele gebruikte vaktermen
absis: nisvormige sluiting, meestal van een koor.

basiliek: kerk waarvan het middenschip, de lichtbeuk, hoger is opgetrokken dan de zijbeuken en daardoor licht ontvangt door hoog geplaatste vensters.

Bentheimer steen; zachte zandsteen uit de omgeving van Bentheim (D.).

blinde boog: boog zonder doorzicht, die veelal een blinde nis overspant.

blinde nis: een zeer ondiepe nis, ter versiering door schaduwwerking.

breuksteen: natuursteen in onregelmatige brokken.

boogfries: reeks van kleine bogen naast elkaar, rustend op kraagstenen.

calvarie; kruisiging, met Maria en Johannes (ook: kruisweg in R.K. kerk).

crypt: (crypte, crypta) kapel onder het hoogaltaar (met gebeente van een heilige).

dakruiter: spitsje of koepeltje Schrijlings’ op het kerkdak geplaatst.

dom: kathedraal (in Utrecht).

driebeukig: kerk met hoofdbeuk (middenbeuk) en twee zijbeuken.

dwarsbeuk: dwarspand, dwarsschip, transept, deel van een kruiskerk, waarvan de as dwars op die van het schip staat. Korte arm van het kruis.
Het bestaat uit twee kruisarmen, verbonden door het kruisveld of de kruising, die het gemeen heeft met het schip.

dwerggalerij; reeks van bogen op deelzuiltjes, onderlangs het dak, uitgespaard in de dikte van de muur
(Sint-Servaas, Maastricht).

fioel, (pinakel): versiering in de vorm van een gotisch to­ rentje, o.a. aan het uiteinde van een steun­ beer.

flamboyant: laatste fase der gotiek met fraaie traceringen (z.a.).

fries: doorlopende horizontale band van versie­ ringen (zie boogfries).

galmgaten: openingen in de muren van de klokkenver­ dieping, veelal met schuin geplaatste galm- borden.

gewelf: overdekkende constructie in steen, waarvan de verticale doorsnee boogvormig is. Er zijn vele soorten van gewelven.

gotiek:
zie hoofdstukje De gotische bouwstijl.

hallenkerk: kerk, waarvan de drie of vijf beuken even hoog zijn.

harnas: het ‘kozijn’ van een gotisch venster, meestal ingewikkeld, van steen.

hogel: gotisch knop- en bloemwerk in steen, ver­ spreid langs torenspitsen, luchtbogen, fioe- len.

kapiteel: bovenste deel van zuil of pilaar,

kathedraal: bisschopskerk, b.v. in Den Bosch,

koor : deel van de kerk waar zich het hoofdaltaar bevindt (meest aan de oostzijde).

kraagsteen : uitstekende steen, waarop een boog of een rib rust.

krocht: zie crypt

kruisarm: . zie dwarspand

kruisbloem: . gotisch kruisvormig siermotief, gestileerde bloem in steen.

kruisgewelf: gewelf van 4 kappen (segmenten, vierde­ parten), waarvan de graten (snijlijnen) in het midden samenkomen.

kruiskerk: kerk, gebouwd in de vorm van een kruis.

kruisribgewelf: kruisgewelf (zie aldaar) waarvan de vier kappen steunen op meer of minder dikke uitstekende ribben.

kruisveld: zie dwarspand.

lantaren: . bovenste deel van een toren, opengewerkt, vaak achthoekig.

ledesteen: witte bouwsteen uit Vlaamse groeven (gotiek).

lichtbeuk: zie basiliek.

liseen : lichte, bandvormige, verticale uitmetseling ter versiering.

luchtboog : stenen boog ter schraging van hoog gelegen muurpartijen - loopt van de muur naar de steunbeer (Sint-Jan, Den Bosch).

Marianum : Mariabeeld, staande op wolk of maansikkel, afhangend van een gewelf.

misericorde : steunstuk onder opklapbare zitting van koor­ stoel, met grotesk snijwerk.

middenschip: middenbeuk, middelste van de drie of vijf beuken van een kerk.

moer- en kinderbalken: groep van zware en lichte balken onder een zoldering.

nis : uitsparing in de dikte van een muur. 1. Soms diep om iets in te plaatsen,
2. Soms groot en vlak voor versiering door schaduwwerking (spaarnis, spaarveld).

oxaal: afscheiding tussen koor en lekenkerk (Rhenen, Ter Apel, Amersfoort).

piëta: voorstelling van Maria met de gestorven Jezus op haar schoot.

pilaar: pijler, drager van boog of deel van gewelf - niet rond (zie zuil).

pinakel: zie fioel.

pseudo-basiliek:  kerk, waarvan het middenschip wel iets hoger is dan de zijbeuken, maar geen boven­ lichten heeft. 

Romaans: zie het hoofdstukje: De Romaanse bouwstijl.

rolstaaf: halfrond profiel in de vorm van een staaf. 

Romano-gotisch: stijl op de grens van Romaans en gotisch (mooi in de prov. Groningen).

rouwbord:   zwart bord opgehangen in de kerk, met de naam van een overledene.

sarcofaag: stenen doodkist. 

scheiboog: een rij scheibogen vormt de scheiding (of verbinding) tussen middenschip en zijbeuken, 

schip:  romp van de kerk, zonder koor en toren

Sedes Sapientiae: Maria met het Kind op schoot.

St. Anna-te-Dneën: Maria, het Kind en Sint Anna.

spaarnis: spaarveld: zie nis. 

stergewelf: gewelf (zie aldaar), waarvan de vier ribben (zie kruisribgewelf) of de zes ribben een vier- of zespuntige ster vormen. 

steunbeer: gemetselde kolom tegen de muur gebouwd om deze te steunen (schoren, schragen). 

torenhelm: torenbekroning in de vorm van peer, bol, ei of i.d

tracering: maaswerk in de koppen van gotische vensters en nissen.

travee:  een der vakken waarin de plattegrond van een kerk wordt verdeeld

triomfbalk:  dwarsbalk in de triomfboog, met calvarie. 

triomfboog: .boog tussen koor en schip (of kruising), oorspronkelijk ereboog voor de triomferende Christus. 

tufsteen : ook duyfsteen, duifsteen, vulcanische steen uit de Eiffel of het Zevengebergte, geliefde bouwsteen voor Romaanse kerken en torens 

westerblok: westelijk dwarsblok, voor tegen de kerk gelegen. Vroeg-Romaans, voorbeeld Maas­ tricht (Sint-Servaas, O.L. Vrouwekerk) en Rolduc.

zadeldak. in doorsnee driehoekig dak, veelvuldig op vooral Friese Romaanse torens, maar ook elders.

zijbeuk: deel van basiliek of pseudo-basiliek, parallel met middenschip, maar lager.

zuil: ronde pilaar, bestaat.uit basement (voetstuk), schacht (de eigenlijke zuil) en kapiteel (kop).