HET LAND VAN
WELDADIGHEID
STEENWIJK-WILHELMINAOORD-ZORGVLIED
Er heerst diepe rust, al is het herfstvakantie. Je hoort het knisperen van dor blad onder je voeten, het weemoedig krassen van kraaien en het gebrom van machines die aardappelen rooien, verder niets. De grond ruikt zwaar. Suikerbieten liggen, nog grauw van vochtige aarde, hoog opgetast naast de boerderijen. Het landschap is intiem, akkers en weilanden omsloten door wallen van akkermaalshout, hoeven weggedoken achter heggen onder bemoste rieten daken. Dan breekt het opeens open en wordt het alleen nog begrensd door verre bosranden.
Het land ziet er uit alsof het niet lang geleden in cultuur gebracht is: grote percelen land, brede sloten tussen rechte walle- kanten, nederzettingen die vernoemd zijn naar leden van het koningshuis: Frederiksoord, Willemsoord, Wilhelminaoord.
Nederland had zich na de Napoleontische tijd nog maar net opgericht toen generaal-majoor Van den Bosch hier in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid stichtte.
Lange lanen, geflankeerd door eiken, voeren noordwaarts.
Voorbij Wilhelminaoord zie ik aan mijn linkerhand spoedig de eerste huizen van Noordwolde, waarvan we in de aardrijkskundeles leerden dat het een dorp van rietvlechters was. Dat is het nog, nu met moderne meubelcentra, gespecialiseerd in rotan, manou en 'tropische interieurs'. Een blik op de kaart wijst uit dat ik hier ergens het 'drieprovinciënpunt' passeer, van
73
76
Overijssel op weg naar Drenthe door een stuk Friesland heen.
De omgeving ziet er niet Fries uit, ze heeft eerder iets Oost-Eu- ropees - veel berken, lange zandwegen en de suggestie van eindeloosheid. Officieel hoort de streek tot de provincie Friesland, maar hier in de Stellingwerven wordt een eigen taal gesproken die men verdedigt tegen de hegemonie van het Fries - een taalstrijd binnen een taalstrijd.
Dit zijn de contreien waar Domela Nieuwenhuis in de Kamer gekozen werd, daarbij een handje geholpen door gereformeerden die nog liever een gesjeesde dominee in het parlement zagen dan een liberale nazaat van de gehate Franse Revolutie. Onwillekeurig verwacht ik sporen aan te treffen van het anarchisme, dat Domela preekte, maar het enige dat opvalt is het grote aantal schotelantennes: deze uithoek valt buiten het netwerk van de bekabeling van Nederland. Een paddestoel wijst de weg naar Appelscha, waar ieder jaar met Pinksteren nog anarchisten - 'vrij-socialisten', zoals ze zich in navolging van Domela noemen - bij elkaar komen om hun hardnekkig geloof te belijden dat wij, bevrijd van staatsgezag, betere mensen zullen zijn.
Het licht is diffuus, de zon schijnt achter een dun wolkendek.
Ik ga het pad op langs de 'schipsloot', het water laag onder hoge taluds. Schepen hebben er zelden gevaren, de sloot is er te ondiep voor en ze dient vooral voor de afwatering van het landgoed Boschoord. Er lopen ranke paarden in weiden die grenzen aan bossen van laag geboomte, waartussen sleuven zijn gegraven, begroeid met gras, mos en paddestoelen. Hier in het Vledderveen hebben generaties van dienstweigeraars hun vervangende dienstplicht vervuld door met de schop het land voor vermoerassing te behoeden. Ik heb mij lang voorgesteld dat ik er te werk gesteld zou worden, lekker in de buitenlucht, als in een permanent jongenskamp. Wie als dienstweigeraar 'erkend' was kon in Vledder geplaatst worden of in de
78 ontbreekt
ding van de 'onmaatschappelijkheid'. Zorg van staatswege houdt altijd ook disciplinering in.
Spoedig moet ik nu Boschoord in zicht krijgen, genoemd naar de stichter van dit alles. Ik heb er vooraf niets over gelezen, om de verrassing intact te laten. Ik verwacht de statigheid van een negentiende-eeuws buiten, met lommerrijke oprijlanen, vijvers met leliën, koetshuizen, een koepeltje misschien waar Van den Bosch mijmerde over Indië en broedde op plannen om Nederland braaf en gelukkig te maken. Wat ik te zien krijg is een complex van gebouwen, waarvan de bouwstijl verraadt dat ze na de laatste oorlog verrezen, met rondom gladgeschoren voetbalvelden, een kwekerij en vee achter heiningen waarlangs wandelpaden zijn aangelegd. In moderne belettering staan namen op de gebouwen: De Beuken, De Elzen, De Wilgen.
Ik loop eromheen, lees dat de 'ingang aan de andere zijde' is en vind een bordje 'receptie'. Geen opschrift verraadt de bestemming der gebouwen. Opgeschoten jongens kuieren rond, baseballpetjes op, anderen zitten in een loods te timmeren, blikjes frisdrank bij de hand. In Boschoord wonen jongeren die 'ter beschikking van de regering' gesteld zijn, maar het wordt blijkbaar onkies geacht dit aan de gevel kenbaar te maken.
De idealen van Van den Bosch waren al gauw bedorven. De gemeenten stuurden hun lastigste armen naar de Maatschappij en Zuidwest-Drenthe werd, net als Australië, een groot strafkamp. Er kwamen 'opvoedings-' en 'verbeteringsgestich- ten', woorden die nu in een kwade reuk staan. Opgepakte bedelaars en boefjes werden voortaan onder dwang hierheen gevoerd. In zekere zin is dat nog zo, maar het humane regime van onze tijd dicteert dat rond Boschoord geen hek staat. Het 'ontsnappen' van terbeschikkinggestelden vereist minder vindingrijkheid dan je zou denken: het is een half uurtje lopen naar de bushalte in Boyl, het dichtstbijzijnde dorp.