Tussen 1880 en 1968
trokken enkele
honderden theologanten
de Cannerberg van
Maastricht in om de
mergel te lijf te gaan
met beitel en kwast. Zij
lieten een spoor na van
fraaie tekeningen op
Nachtwacht-formaat en
metershoge
beeldhouwwerken. De
Jezuïetenberg is nu een
unieke groeve waar
massatoerisme niet
welkom LS U HIER al alles
wilt zien’, waar
schuwt onze gids,
‘dan mist u de
mooiste dingen, die
liggen diep in de
berg. Dus als ik ad
vies mag geven,
loop met mij mee.’ Hij zet er, de
suizende carbidlamp voorwaarts
gericht, flink de pas in en wij
snellen achter hem aan, maar niet
zonder verbaasde blikken tewer-
pen op de curieuze wandschilde
ringen, merktekens, sculpturen
en reliëfs, die in het langsglijdend
licht even zichtbaar worden. Was
dat grote gevaarte rechts niet een
walvis? En links, die wandschil
dering, stond daar nou echt een
negertje zichzelf in tweeën te
hakken?
Bij een reusachtige, in de wand
gebeitelde zeeschildpad blijven
we staan. Het is de getrouwe
kopie van een in de vorige eeuw
op deze plaats gevonden skelet,
vertelt de gids, ons nagelaten
door een prehistorische zee. Die
zelfde zee liet de kalkresten na
van enorme hoeveelheden kleine
zeedieren, die samengeperst wer
den tot de zachte, gele kalksteen,
de mergel, waarmee het zo uitste
kend bouwen bleek. Door het
eeuwenlang wegzagen en -hak
ken van deze bouwsteen voor
boerderijen, kloosters en stads
wallen ontstonden de meer dan
tweehonderd groeven waarmee
het Zuidlimburgse Mergelland
tot in België is onderkelderd.
De mergel van de Jezuïeten
berg, de Maastrichtse groeve,
heeft zich inmiddels in een dun
laagje aan onze schoenzolen ge
hecht. Met dofklinkende voet
stappen gaan we verder het duis
tere labyrint in. Wie meent nog
enig baat te hebben bij zijn rich
tinggevoel, raakt die illusie wel
kwijt bij het zien van de platte
grond die precies honderd jaar
geleden door een pater op een
van de wanden is aangebracht.
De twintig kilometer gang van de
groeve is als een langgerekte ho
ningraat in houtskool aangege
ven. Onze gids wijst aan: ‘Kijk,
daar bij de schaduw van mijn
vinger bent u nu, zo dadelijk
gaan we daar naar het Alhambra,
daar is de Bommelzaal of refter,
daar het Heksenpoortje, de Tsjechische hoek, en daar, achter de
wijnkelders van chateau Neer-
canne, is een van de
nooduitgangen...’
Wanneer we weer stoppen, is
het bij een trap die ons nog ver
der de diepte in voert. ‘Denk
erom, er zijn acht treden. Ik heb
een keer zeven gezegd, dat was
een ramp.’ De lamp blijft op de
treden gericht totdat niemand
meer het risico loopt struikelend
in de kalksteen terecht te komen,
om vervolgens met veel effect
naar de duisternis voor ons te
zwaaien.
We zijn onwillekeurig geneigd
als bij een vuurwerk ah en oh te
roepen, zo onverwacht helder
lichten de vrolijke kleuren op van
de Moorse motieven die wanden,
pilaren en bogen doen schitteren.
Het Alhambra. Compleet met
Leeuwenfontein, een echte vijver
en een fonteintje dat met een
handpomp tot sputteren kan wor
den gebracht. De franje van de op
de wand geschilderde tapijten
blijkt bij nadere beschouwing uit
letters te bestaan die de geschie
denis van dit onderaards equiva
lent van het Moorse paleis in
Granada vertellen. ‘Op 3 maart
1927 begint de drie meter diepe
uitgraving. . lezen we op een
plaats, eri elders: ‘Op 22 april van
het jaar 1930 feestelijke opening.’
Klaar was het toen nog niet, ver
telt de gids, maar het groepje
paters Jezuïeten dat hier een
drachtig gehakt, gebeiteld, ge
schaafd en geschilderd had, hield
het verder voor gezien.
AT BEWOOG deze
paters tot zoveel
onderaardse activi
teiten? Was het na
beitelen van het Al
hambra of het
kopiëren van pre-
bijbelse fossielen
een voor Jezuïeten zo verboden
bezigheid dat dat maar het best
ondergronds kon gebeuren? Was
het eten onder het toeziend oog
van Ollie B. Bommel en Tom
Poes in een fraai Bommelland-
schap, geschilderd op de wand
van de als refter gebruikte gang,
te lichtzinnig om het daglicht te
verdragen? Niet lichtzinnig is in
elk geval het ook in de groeve
aanwezige Mariabeeld, of de
wandschildering van het afscheid
van de ridder die op kruistocht
gaat of de kapel met groene, kalk
stenen gordijntjes en glas-in-
loodramen die zijn nageschilderd
van die van de St Paul’s Cathe-
dral in Londen.
Een betere verklaring voor
deze door patershanden bewerk
te groeve ligt veertig meter boven
de mergellaag, op een helling van
de Cannerberg. Op die plek liet
door Ranne Hovius
een zoon van de Maastrichtse
‘pottenkoning’ Petrus Regout
1880 een villa bouwen waar d<
theologanten en scholastieken
van de Jezuïetenopleiding te
Maastricht zich op de vrije
woensdag konden ontspannen
En omdat eigenaar bovengrom
ook eigenaar ondergronds is, t
hoorden het verkennen, oprui
men, in kaart brengen en bewt
ken van de duistere doolhof
onder het terrein van de villa t
de ontspanningsmogelijkheder
Tussen 1880 en 1968 trokke
enkele honderden theologante:
uit alle delen van de wereld m<
een kaarsje of een carbidlamp
berg in om zich op uitnodigcm
rechte en zachte kalkwanden t
laten gaan in gebeitel en gesci
der, een spoor nalatend van u.
bijzonder fraaie tekeningen o
Nachtwacht-formaat en mets-
hoge beeldhouwwerken.
In 1968 kwam aan deze kis
zinnige vlijt een einde doorc c
opleiding in Maastricht slocvc
gens gebrek aan studenten.?t
beheer van de groeve, die it
volksmond Jezuïetenberg u
gaan heten, werd toevertrod
aan een stichting.
Sindsdien wordt met gra
toewijding over de groeve ;
waakt dan ooit door de pal
zelf. ‘Er is in de Jezuïetentiee
kapot gegaan’, vertelt Petem ben, directeur van de stichting.
‘Dat gebeurde niet bewust, maar
men hechtte geen waarde aan het
geheel. Het was een leuke hobby-
ruimte waar iedereen kwam en
deed wat hij wilde. Sinds de pa
ters weg zijn, is men er toch wel
met andere ogen naar gaan
kijken.’
Een achteloos langsstrijkende
mouw kan funest zijn voor de
oudste houtskooltekeningen. Een
wat al te enthousiaste uithaal kan
genoeg zijn om een neus of een
vinger af te breken van de door
de hoge vochtigheidsgraad uiterst
zachte kalkstenen beelden. Het
massatoerisme wordt door Peter
Houben en de vier andere vrijwil
ligers van de stichting dan ook
met een ontmoedigingsbeleid op
afstand gehouden: geen rondlei
dingen in de weekeinden en op
feestdagen en helemaal nooit
voor kinderen.
De zorgvuldigheid van het be
heer van deze groeve in de Can-
nerberg wordt wellicht versterkt
door de onverschilligheid waar
mee het cultuurgoed van de Sint
Pietersberg een aantal decennia
geleden is verkwanseld. Het slo-
persdynamiet van de cementin-
dustrie liet van de berg niet veel
meer over dan, zoals Peter Hou
ben het uitdrukt, een grote holle
kies: ‘Alleen de wanden staan
nog. Dat de provincie in de jaren
twintig toestemming heeft gege
ven de berg af te graven, is naar
mijn idee de grootste culturele
blunder van het land. Uit de Pie
tersberg hadden mensen al vijf
tienhonderd jaar blokken mergel
gehaald. Het was vroeger het
grootste handgemaakte gangen
stelsel ter wereld en dat wordt
zomaar opgeblazen.’
Het gedeelte waar toeristen
nog kunnen komen, is steeds
kleiner geworden omdat ook gan
gen die gespaard zouden worden,
uiteindelijk bezweken zijn door
het voortdurende gerommel van
het ‘losspringen’ van de mergel.
OEVER de geschie
denis van de mer
gelgroeven terug
gaat, is niet met
zekerheid vast te
stellen. Al in de Ro
meinse tijd schreef
de geschiedschrij
ver Plinius dat ‘men in de provin
cie Belgia witte steen zaagt, als
ware deze hout’, maar de eerste
documenten waarin wordt ge
sproken over een uitgestrekt la
byrint in de Pietersberg, stammen
uit de late Middeleeuwen.
De grotten zelf schrijven be
hulpzaam aan hun geschiedenis
mee. Eeuwenlang lieten mergel-
houwers of ‘blokbrekers’ kapspo-
ren en inscripties na. De hertog an Alva plaatste in 1570, toen
hij toch in de buurt was om
Maastricht te belegeren, zijn
handtekening in het in die tijd al
vermaarde labyrint van de Pie
tersberg. Tsaar Peter de Grote en
Napoleon zouden hem volgen.
Uitgehakte voederbakken en ach
tergelaten huisraad herinneren
aan de vele keren dat de bevol
king van het Mergelland voor on
bepaalde tijd met vee en al de
grotten invluchtte om plunderen
de en moordende soldaten niet
voor de voeten te lopen. Een
broodbakkerij en een ziekenhuis
in het gangenstelsel Zonneberg
getuigen van de voorzorgen die
in de Tweede Wereldoorlog geno
men waren om de hele Maas
trichtse bevolking in geval van
bombardementen onderdak te
bieden.
Lag de aantrekkelijkheid van
de groeven in oorlogstijd vooral
in de veiligheid die ze boden en
de mogelijkheid ongezien naar
België te vluchten, in vredestijd is
het juist het ongewisse dat op
menig avontuurlijke ziel een on
weerstaanbare aantrekkings
kracht uitoefent. En dat ongewis
se vind je uiteraard niet op de
gebaande paden van het beperkte
aantal groeven dat voor toeristen
geopend is, maar in de in onbe
kendere delen van de in totaal
vijfhonderd kilometer lange on
deraardse gangen die het Mergel
land rijk is. De mensen die zich
daar wagen, worden in Zuid-Lim-
burg ‘berglopers’ genoemd.
‘Bergloperij is al honderden ja
ren oud’, vertelt Houben. ‘Het
zijn mensen die gedreven worden
door het onbekende. Die als het
ware de tic hebben te dwalen in
de duisternis van een onderaard
se groeve, en er dan weer uit te
komen. Of niet. Er zijn er genoeg
die het leven gelaten hebben. Bij
voorbeeld de vier Franciscaner
monniken die in de zeventiende
eeuw bij Slavante de grot zijn
ingegaan met, zo wil het verhaal,
een henneptouw. Maar het touw
schuurde stuk op de wanden. Of
de twee deserteurs uit het Napo
leontische leger die hier in de
Cannerberg gevonden zijn. En
vorig jaar, twee zeventienjarige
jongens in de Keerderberg. Het
probleem is dat zij met één lamp
de berg zijn ingegaan. Gaat je
licht uit, dan vind je de weg nooit
meer terug, al ben je de beste
gids. Elke bergloper heeft dan
ook in elk geval driedubbel licht
bij zich: zijn lamp met reserve-
brandstof, een zaklantaarn, een
kaars, want die brandt altijd, luci
fers, aanstekers. Ik zit altijd vol
verlichting.’
OK DE GIDS die
de Jezuïëtenberg
laat zien, de gepen
sioneerde ingenieur
Backerra, heeft be
halve zijn carbid
lamp en een reser-
velamp, zakken vol
aanstekers bij zich. De carbid
lamp blijkt voldoende voor de an
derhalf uur die we in de berg
doorbrengen, en moet alleen even
in het keukentje bij de refter met
water worden bijgevuld. Hier
schilderde pater Bleker zijn Bom-
mellandschap, aldus onze gids,
en aten de paters hun boterham
metje. Of nasi, wanneer de Java
nen kookten. De Javaanse theolo
ganten lieten ook blijvende
bewijzen van hun eigen cultuur
achter door een van de poorten
van de Borobudur, de grote boed
dhistische tempel op Java, na te
maken. Zoals de Tsjechen een
deel van de grot verder uitdiepten
om er de Karpaten boven een
meertje te laten uitrijzen, en de
Engelsen vlijtig beitelden aan de
balkonscène van Romeo en Julia,
de stad Verona op de achter
grond, in de Shakespearehoek.
We zien veel, maar, verzekert
onze gids ons, lang niet alles. ‘U
kunt hier uren lopen en dan hebt
u nog niet alles gezien.’ De ons
toegemeten tijd is echter om. We
komen terug bij het begin, in de
gang die als enige een betonnen
vloer en elektrisch licht heeft. De
betonnen vloer is in 1944 aange
legd door de Duitsers, die een
bunker in de groeve wilde maken
om er, naar het schijnt, iets met
V2’s te gaan doen. Het licht is
aangelegd door de NAVO die de
bunker in 1954 in gebruik nam
en met degelijk metselwerk van
de aangrenzende gangen afsloot
om er, tot een paar jaar geleden,
geheim werk te doen. Kerstmis
vierden de bewoners van de bun
ker met de paters in de kapel van
de Jezuïetenberg, bij de kalkste
nen kerstgroep en de kalkstenen
biechtgordijntjes
- __________