Sint Geertruid
De mergelkerk van Sint-Geertruid is schilderachtig gelegen. Mooie oude beelden. Sint Geertruid, zuidoostelijk van Maastricht,
bij de Belgische grens. Oude kerk
(Sint Gertrudiskerk, met Ilde-eeuwse
sporen), verscheidene monumentale huizen
en boerderijen, waaronder in vakwerk.
Zie ook Bruisterbosch en Moerslag.
JOhn jansen v galen lezen
VEN IJNBOOM
SCHINNEN-IJZEREN-SINT GEERTRUID
Wegkruizen en kapelletjes flankeren het pad. ‘Bid voor de Arme Zielen.’ ‘Godsvrucht stichtte wat schennershand ten gronde richtte.’ ‘H. Stephanus b.v.o.’ Is het luiheid om ‘bid voor ons’ nog af te korten, of een blijk van vrome bescheiden heid? De kapel in Weustenrade is gewijd aan de ‘plechtige af kondiging van Maria’s Onbevlekte Ontvangenis tot geloofs punt’. De Moeder Gods en haar Zoon hangen als borduurwerk aan de wand. Boven de toegang tot de begraafplaats in Voeren- daal staat ‘Heden ik, morgen gij’.
Het is een on-Hollands landschap van beboste heuvelkam men, glooiende weiden, holle wegen en kerkjes met uivormige torens die opdoemen in de plooien van dalen. Ze markeren dorpen waar meibomen staan opgericht, schuttersfeesten op til zijn en men een zangerige taal spreekt, onverstaanbaar voor de vreemdeling.
Er is vandaag een wielerevenement, de Amstel Gold Race voor liefhebbers, ’s Morgens groeten ze nog monter, maar aan het eind van de middag tekent het lijden hun gezichten. Dit is de Eyserberg, de zevenentwintigste klim, staat langs de weg te lezen. Het is nog lang niet de laatste. Sommigen klimmen, stijf geworden, moeizaam van de fiets en duwen hem tegen de helling op. Waarom doen mensen zichzelf dit aan? Ik loop hal ve marathons, soms hele, op momenten van inzinking vervloek j e het hardlopen en je zelf erbij, na de finish ben j e misse lijk van uitputting, maar drie dagen later train je weer voor de volgende uitdaging. ‘Ik rij maar mijn eigen tempo,’ roept een fietser. Hij kan zijn maten niet bijhouden, maar wil het niet bekennen. ‘Dit is de enige berg waarop ik Bert de Graaf ooit heb zien lopen,’ hijgt hij. Het is de aankondiging dat hij op het punt staat om af te stappen: als zelfs Bert de Graaf hier ging lopen, is dat toch wer kelijk niet te min?
Het café in Eys heet Lambiek, het schenkt refterbier, Deug niet en Korenwolf. Aan de muur hangen foto’s van de schutte rij Sint Sebastiaan en van de harmonie broederlijk naast el kaar, beide genomen op het plein voor het kasteel. In het dorp zijn achter veel vensters ganzen opgesteld, van stof of blank ge lakt hout, als bewakers van het woonhuis.
Gulp en Geul vloeien samen in een weelderig weiland, her en der staan kastelen en brouwerijen waar ze witbier brouwen.
Een tijd lang volg ik het riviertje dat kristalhelder over kiezels en geel zand spoelt, dan klim ik naar een witte kapel, die de Kluis heet. Aan een kruis zijn hamer, nijptang, ladder en spies bevestigd, verwijzingen naar de gekruisigde timmermans zoon. Nog tot 1930 huisde hier, met uitzicht op de lieflijke val lei, een kluizenaar, op een paar kilometer van Valkenburg dat toen al een vakantieoord was. Toen zocht men eenzaamheid in het woud, nu ben je nergens eenzamer dan in de stad - of op de racefiets natuurlijk, aan de staart van een langgerekt peloton liefhebbers.
In de heemtuin van het kasteel Schaloen wordt de stads mens voorgelicht. Bordjes geven de namen bij planten die je in bos en berm hebt zien staan: daslook, stinkende gouwe, ge vlekte aronskelk en maagdenpalm. Er is een ‘venijnboom’ en ook wolfskers, een ‘heksenkruid’ dat als gif dient en ook als schoonheidsmiddel, ter verwijding van de pupillen. In een hoek wordt de flora getoond die ontstond op de asbergen van
174
lood- en zinkmijnen: het zinkviooltje, het zinkschapengras, de zinkblaassilene. Zo schept vervuiling nieuwe natuur.
Het pad stijgt naar Ijzeren. Buiten het dorp zie ik het toren tje van Sibbe boven de rand van het plateau van Margraten uit pieken. Ik laat het links liggen. Mijn zwager Piet was in de na dagen van het rijke roomse leven pastoor in Sibbe. Drie broers uit het gezin van mijn vrouw gingen naar het seminarie, zodat mijn schoonouders hun stoel in de hemel wel verdienen. Piet bleef tot zijn veertigste in de beschutting van een kloosterorde.
Met een mobiel team van paters reisde hij door Friesland om de verspreide katholieken de biecht af te nemen: aan vreemde oren vertelden de gelovigen gemakkelijker wat hen op het hart drukte dan aan hun eigen pastoor, die ze dagelijks onder ogen kwamen. Piet leerde er een vrouw kennen en toen hij werd aangesteld als pastoor van Sibbe vroeg hij haar als huishoud ster met hem mee te gaan.
Het plateau van Margraten is naar Nederlandse maatstaven een hoogvlakte: kaal en winderig land zonder charme, de boer derijen in zichzelf besloten. Hoge poorten staan open naar de cour, waar keienvloeren liggen, rustieke hoefijzers, oude eg gen en paardenhoofdstellen aan de witgekalkte wand hangen, zware deuren toegang geven tot ruime stallen en een eigen- meester-niemands-knecht-besef haast voelbaar is.
Piet nam aan dat de Zuid-Limburgers gemakkelijker waren dan de stugge Friezen, hartelijk en joviaal. Maar op het plateau van Margraten zijn ze minstens even stug als in Friesland. Hij werd als nieuwkomer met argwaan bekeken en zijn huishoud ster helemaal. Zij beheerde hun huishouden. Hij had, beschut in de orde, nooit het dagelijks leven leren kennen en niet met geld leren omgaan.
Hij liet zich meeslepen door de ideeën van paus Johan- nes xxiii en het Pastoraal Concilie. Jaarlijks was er in Sibbe een processie langs de hoeven waar de boeren hun huisaltaren buiten zetten; daarna schonken ze, alsof niet aan God maar an hen eer was betoond, een royale bijdrage aan de kerk. Piet verlegde het traject van de processie naar de weiden op de heu vels, waar hij in Gods bloeiende natuur de mis celebreerde.
Maar toen bleven de bijdragen van de boeren achterwege.
Het dorp had een beroemd koor en een beroemde harmo nie, die tal van prijzen in de wacht sleepten. Wat zou mooier zijn, bedacht Piet, dan dat de communicantjes in optocht ach ter het spelende muziekkorps aan de kerk binnen gingen, waar het koor dan inzette? Hij ontketende er een dorpsoorlog mee. De kerk was het domein van het koor en daar werd de har monie niet geduld. Het muziekkorps moest voor de drempel van de kerk halt houden. Voor Pasen koos Piet een moderne mis, heel wat anders dan het klassieke-stuk dat al jaren gezon gen werd. Het koor studeerde schijnbaar vlijtig de partituur in, maar toen in de paasmis de eerste noot gezongen moest wor den, hield het hele gezelschap de lippen stijf op elkaar, behalve een oude man die beverig begon te zingen. Meneer pastoor moest niet denken dat hij in Sibbe de dienst uitmaakte.
Na een paar jaar kondigde Piet zijn vertrek aan. De pa rochianen begonnen geld in te zamelen voor een afscheidsca deau. Maar toen werd in het nabije Valkenburg aan het ge meentehuis de mededeling aangeplakt, dat meneer pastoor in ondertrouw was gegaan. De verhouding tussen hem en zijn huishoudster was allengs inniger geworden, maar in zijn we reldvreemdheid had hij het niet nodig geoordeeld de parochie in te lichten over de reden van zijn vertrek. Hij zou immers pas trouwen na zijn afscheid van Sibbe? Het schandaal resoneerde tot ver buiten Limburg, in de kolommen van De Telegraaf en Panorama, en Piet kreeg geen cadeau.
Het begint zachtjes te regenen, dan harder. In het Savels- bosch, dat van de hoogvlakte steil naar het Maasdal helt, gese len venijnige druppels een weelde van gele dovenetels, bos anemonen, look-zonder-look, salomonszegel en heel veel wit te bloemetjes. Een boswachter kijkt er vanonder zijn cape gramstorig naar: ‘Daslook.’ Het hoort op de schrale bodem van het bos niet te groeien, maar doordat van hoger gelegen akkers rijke grond omlaag spoelt tiert de daslook hier niettemin welig
- het bloementapijt is gekweekt door de erosie.
In Eckelrade schuil ik in de poort van een Limburgse hoeve.
De boer komt bij mij staan. Hij kijkt naar de lucht: een buitje, maar niet genoeg om een eind te maken aan de droogte. ‘Met dit weer kunnen wij helemaal niks,’ zegt hij mismoedig. Tegen de muren rond de binnenplaats zijn schilden aangebracht met de afbeelding van een koeienkop, een naam (Uilke 131, Lisette 14, Betsy 36, Tonia 3, Clarette 20) en een getal (100.000 L.j.
Die beesten gaven vijftien jaar achter elkaar dertig liter melk per dag, zegt hij met een trots die niet van deze tijd lijkt. De cal culerende boer van nu heeft liever beesten die gedurende een kortere tijd een hogere melkgift leveren: grote kudden worden bestraft met een ‘superheffing’. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: ‘En Uilke geeft nog altijd melk!’ Over de weg naar Sint Geertruid rijdt een colonne jeeps van ouderwets model. Canadese vlaggetjes op de bumper, mannen in batlledress achter het stuur, de bijrijders met uitgevouwen stafkaarten op schoot. ‘Keep them rolling,’ maant een op schrift. Bevrijding spelen op de vrije zaterdag.
Een wegkruis beveelt het slachtoffer van een jachtongeval aan in de ‘genade van Jezus, Maria, Jozef’: ‘Hij was geen dronk aard, noch een godslasteraar.’ Waarom wordt dat nadrukkelijk vermeld? Hebben boze tongen het beweerd? Piet is door Sibbe nooit in genade aangenomen. Het is een lieflijk landschap, maar in de stille dorpen woelen wrok en wraak.
==============
St.-Geertruid
met Bruisterbosch en Moerslag
Limburg Dicht bij de Belgische grens, ca. 8 km ten zuidoosten van Maastricht,
St.-Geertruid ligt aan de prachtige weg die vanaf de A2 (afslag Gronsveld) in zuidoostelijke richting naar Mheer en Noorbeek loopt. Het is een voor heuvelachtige gebieden karakteristiek straatdorp.
De omgeving is bijzonder rijk aan natuurschoon, het boerenbedrijf zorgde voor een fraaie stoffering van het landschap en hedorp zelf telt een aantal monumentale gebouwen.
De mens heeft zich hier al vroeg gevestigd.
Rond het Savelsbos zijn verschillende vuurstenen voorwerpen, waaronder vuistbijlen, gevonden, die zeker al zo’n 100 eeuwen oud zijn. Honderd jaar terug deed een Belgische prehistoricus in de buurt van de Schoone Grubbe belangwekkende vond sten, waaruit bleek dat hier de eerste mijnwerkers van Nederland hebben geleefd. Tussen 3000 en 2000 v.C. moet zich in hef Savelsbos een complete vuursteenmijnbouw hebben ontwikkeld. Er bevin den zich hier en in de directe omgeving zo’n 2000 schachten, die ca. 1 m breed en 5-20 m diep zijn.
Onderin de schachten werden in de beste vuur steenlaag straalsgewijs galerijen aangelegd. Dicht bij de mijnschachten waren kleine werkplaatsen, waar de vuurstenen bewerkt werden tot bijlen, houwelen enz. Deze mensen, die tot het Michels- berger volk behoorden, maakten er een ware industrie van, want hun produkten zijn tot ver in de omtrek aangetroffen. De werkgroep die zich met de bestudering van deze cultuur bezighoudt, stelt de vondsten nu en dan tentoon, in afwachting van een definitieve ruimte.
Het oudste gebouw van St.-Geertruid is de in het dorpscentrum gelegen St.-Gertrudiskerk. Deze in drie fasen gebouwde kerk valt sterk op door haar witte mergelstenen toren. In 1956/1957 vond er een complete restauratie plaats. De eerste bouwfase dateert uit de 11e eeuw. St.-Geertruid groeide uit tot het geestelijk centrum van de omgeving en de kerk werd parochiekerk. Bij de restauratie zijn muurresten van de eerste kerk te voorschijn geko men en zichtbaar gemaakt. Rond 1300 werd een zelfstandige toren tegen het schip aangebouwd en omstreeks 1400 verving men het eerste priester koor door het huidige. Deze eerste bouwfase was in breuksteen, maar de tweede, tussen 1400 en 1500, werd in mergel uitgevoerd. Ten gevolge van de hier op het platteland heersende armoede door de Tachtigjarige Oorlog en de voortdurende machts wisselingen tussen Spanjaarden en Staatsen, nam de derde fase lange tijd in beslag. Hierbij werd in de 16e eeuw o.a. de Mariakapel — een grafkapel — aan de zuidzijde door de Heren van Liebeek opge trokken. In de kerk zijn diverse schatten te bewon deren, zoals een klein crucifix uit de 16e eeuw, een drieluik en diverse kostbare beelden. Een beeld van de zittende St.-Eligius, uit 1589, kreeg landelijke bekendheid doordat het enkele jaren geleden werd gestolen. Gelukkig heeft men het echter via een catalogus van een verkoop in het' Rijnland weer weten op te sporen.
------------*------------
De uit de vroege Middeleeuwen daterende St.-Geertrudis- kerk is het oudste gebouw van St.-Geertruid.
Zoals de meeste Limburgse dorpen is St.- Geertruid rijk aan tradities. Een ervan is het z.g. ‘poal-howwe’, op de laatste middag van de jaarlijkse zomerkermis. Hierbij hakken de bielemannen van de schutterij met groen en bloemen versierde palen om. Men komt dit gebruik in Zuid-Limburg veel tegen: het is een herinnering aan de vroegere pro cessies, waarbij obstakels op de weg door de stoere bielemannen werden opgeruimd. Karakteristiek voor St.-Geertruid is de rondgang langs de huizen van de schooljeugd op de derde dag van de carna valsviering. Ze krijgen dan spek en eieren, die later gezamenlijk worden verorberd.
Iets ten zuiden van St.-Geertruid, aan de weg naar Eijsden, ligt Moerslag. De bebouwing wekt hier thans de indruk van lintbebouwing, maar vroeger was dit anders. Er was toen sprake van boerderij groepen, maar door grote branden in 1897 en 1898 ging meer dan de helft van de hoeven en huizen verloren. Het bidkapelletje van maaskeien, halver wege de afdaling, stamt uit 1950.
Een ander gehucht in de buurt van St.-Geertruid met een aardige kern is het in het noordoosten, richting Margraten, gelegen Bruisterbosch. Delen van de hoeve Roosenhof dateren uit de 14e eeuw; het bijbehorende herenhuis is 18e-eeuws. Ook staan hier nog enkele pittoreske boerderijen en een weg kruis.
Het ten westen en noorden van St.-Geertruid gelegen Savelsbos is niet alleen vermaard om zijn archeologische vondsten, maar ook om zijn plan ten- en dierenwereld. In dit complex hellingbossen op de oostelijke Maasdalhelling komen nog dassen, bunzings en hermelijnen voor. Bovendien is het doorsneden door grubben (ravijntjes) met een rijke krijtflora. Naast de bewakerswoning, Moerslag 14, is door Staatsbosbeheer een bezoekerscentrum ingericht, dat van april tot augustus in de weekends ’s middags geopend is. Er zijn hier gemarkeerde wandelroutes, uitzichtpunten, picknickplaatsen en in het voorjaar een natuurpad.
Bezienswaardigheden
- St.-Gertrudiskerk, Bindstraat 2. Grotendeels 15e-eeuwse mergelstenen kerk, met 11e-eeuwse resten van breuksteen; toren uit ca. 1300. Belangwekkend interieur met kerkschatten. Op woensdagavond en na voorafgaand overleg te bezichtigen.
- Het Stenen Huis, Burg. Wolfsstraat 6. Laatgotisch mergelste nen huis met zijtrapgevels, uit ca. 1500. Vermoede lijk het eerste in steen gebouwde huis van St.- Geertruid. Vroeger waarschijnlijk een klooster van kruisheren. Niet te bezichtigen.
- Monumentale panden, waaronder sommige in vakwerk, in Burg. Wolfs straat, Dorpsstraat en.Bindstraat.
- Moerslag: fraaie boerderijen.
- Bruisterbosch: karakteristieke Lim burgse boerderijen, waaronder Hoeve Roosenhof (in oorsprong 14e-eeuws) met 18e-eeuws herenhuis; binnenplaats te bezichtigen.