Klooster
fanfareorkest
DE SCHACHTEN ONDER WATER
ROERMOND-VLODROP-ROERMOND
Het is Indian summerl Een vage nevel, de lichte geur van herfst, een milde zon en - Nescio - 'Gods warme glimlach is over alles'. Er zit najaarskilte in de lucht als ik in Roermond loop maar al aan de stadsrand, bij het kasteeltje Hattem, trek ik mijn jas uit. Dauwdruppels flonkeren op bloemkool en tomaten, rode appels glanzen aan de bomen, een riviertje slingert zich door weilanden onder fluisterende populieren.
Dit is het Roerdal. Dichtbij rijzen de stoere koortorens op van de kerk in Sint Odiliënberg. Het dorp ligt op het terras dat de zuidelijke oever van de Roer vormt. De kerk ligt iets hoger, op een heuvel die door de Romeinen opgeworpen moet zijn, een 'bult' noemden wij dat op z'n Gelders. Rond mijn geboortedorp liggen de 'armoedsbulten', in de jaren dertig met zweet en handkracht opgeworpen door werklozen, die niet in ledigheid bij de pakken neer mochten zitten. Ze heten Kapelleberg en Emma-pyramide, de laatste vormde het voetstuk voor een brandtoren, de eerste lag daar zomaar, een puist in het landschap, een monument van werkverschaffing en een speelplaats voor de schooljeugd, die hele bende-oorlogen uitvocht om de verovering van de bult.
Ver voor mij verwaast het verschiet in glooiende bossen, een fazant stapt parmantig door het maïsveld, onder notenbomen langs het voetpad fourageren eekhoorns zo aandachtig dat ze
de wandelaar niet eens opmerken. Bij hoeven worden 'noten te koop' aangeboden. De weg is rustig, het weer wordt steeds mooier, de zon wint aan kracht. Ze verdrijft de nevel en de wolken en schijnt over een tapijt van pijpenstrootjes in het lariksenbos. Zelfs stenen Christussen lijken te glimlachen aan hun wegkruisen.
Achter vensters hangen affiches met de tekst 'Behoud Le- ropperveld/Linnerveld' en verderop, als je de gemeente Abt Montfoort verlaten hebt en in de gemeente Roerdalen komt, een leeuwtje dat een stopbord vasthoudt boven de leuze 'Handen af van Roerdalen'. Zo voert men overal in Nederland op dezelfde manier dezelfde gevechten tegen de bierkaai van de schaalvergroting.
In het centrum van Vlodrop staat een viskraam, waarvoor zich een rij gevormd heeft. Het is een doordeweekse dag in oktober, maar er staan veel auto's geparkeerd met Duitse nummerborden en stickers op de bumper: 'Wandern ist mein hobby.' Bij Frituur 't Smikkeltje drink ik koffie op het terras. Achter de toonbank hangt een aanbieding: 'Wie 20 frikandellen kan opeten in een half uur hoeft ze niet te betalen. Bij 25 een zigeu- nerschitzel gratis.' Ik vraag naar de kolenmijn, die wel gegraven maar nooit in gebruik genomen is. 'Het is nou een natuurreservaat,' zegt de bazin, 'het mooiste van de streek.' Ik steek de Roer over en bereik na een kwartiertje het Nationaal Park De Meinweg. 'Weet waar u aan begint,' wordt fietsers gemaand. Er zijn in dit landschap hoogteverschillen van wel vijftig meter. Hier lieten Rijn en Maas in oude tijden dikke lagen zand en grind achter en vormden zich terrassen. De aardkorst is gebarsten, grondlagen verschoven honderden meters ten opzichte van elkaar, zodat de steenkool die diep in de bodem had gezeten bereikbaar werd en men het plan opvatte deze te winnen. De mijn is genoemd naar prinses Beatrix - haar overgrootmoeder, grootmoeder en moeder hadden hun namen al eerder aan staatsmijnen gegeven.
De weg gaat licht omhoog het bos in. De dennen zijn vroeger dicht op elkaar gepoot om ze te dwingen steil omhoog te groeien zodat ze, eenmaal geveld, mooi recht mijnhout zouden opleveren. Maar dat is niet meer nodig en de mannen van Staatsbosbeheer hebben flink gekapt, zodat eiken, berken en lijsterbessen de ruimte kregen en namen; het dennenbos werd gemengd bos. Er woekeren bramen, maar bordjes vergallen de eetlust: 'Meer bramen door zure regen.' De braam gedijt namelijk het best op de mest van stoffen, die door verontreinigde lucht worden aangevoerd.
Het nationaal park staat in het teken van de adder, die op informatiepanelen is afgebeeld. Ze zwijgen over het drama dat zich hier voltrok. Toen de schachten gebouwd waren en al tachtig miljoen geïnvesteerd was aan harde guldens uit het tijd- perk-Drees, besloot men in 1962 de Beatrix-mijn niet in productie te nemen. Het was een andere tijd: de bevolking was helemaal niet opgelucht dat de smerigheid van een nieuwe kolenmijn uit zou blijven. Men had gehoopt op nieuwe werkgelegenheid en nieuwe welvaart en nu dit. Roermond kwam in rep en roer, maar de schachten werden onder water gezet.
Ik herinner mij de dag in december '65, toen de sluiting van de andere kolenmijnen werd aangekondigd. Als aankomend verslaggever van het Algemeen Handelsblad mocht ik de plechtigheid verslaan. In de redactionele auto-met-chauffeur reed ik naar Heerlen. Joop den Uyl, dat jaar minister van Economische Zaken geworden, was er in de Stadsschouwburg de voornaamste gast, maar ik keek vooral naar de Limburgse hoogwaardigheidsbekleders, burgemeesters, prelaten, mijndirecteuren, vakbondsbestuurders - de complete top van de piramide, die de sociale structuur van de mijnstreek vormde, en nu bijeen om de sloop ervan te horen proclameren.
Op open plekken in het bos bloeien nog klaprozen tussen verdord koren en de heide is fel paars. Er zijn veel wandelaars vandaag. Als ik hen groet, word ik in het Duits teruggegroet. Ik
kruis een spoorlijn, de rails verroest: het oude lijntje van Roermond naar Mönchengladbach, dat de gewonnen steenkool had moeten afvoeren. Het stationnetje van Vlodrop is lang geleden opgeheven.
Er was een zweem van heroïek rond mijnwerkers - de helmen, de lampen, de zwarte gezichten van de 'kompels' die elkaar groetten met een 'Glück auf!' Na de bevrijding dolven ze de kolen waarmee de machinerie van het verwoeste vaderland op gang werd gebracht en zelfs Drees vond dat de mijnwerkers daarvoor wel een extraatje verdienden. Ze spraken een zangerig taaltje, bliezen in de harmonie en speelden 's zondags in voetbalclubs die Waubachse Boys of Spekholzerheide heetten.
Het was een complex dat het leven omvatte van de wieg tot het graf: de mijn, de kerk, de vakbond, het sportveld.
Met de spoorlijn als geleide loop ik de kant van Roermond weer op, de zon op mijn gezicht. Oostwaarts gekomen, westwaarts teruggekeerd: ik profiteer optimaal van de nazomerdag.
Pijlen verwijzen naar de 'Venhof'. Het is een grote stoeterij, met een houten uitspanning. Slanke paarden grazen in de schaduw van geboomte, op het terras zijn alle plaatsen bezet.
Weer hoor ik veel Duits praten en vang het woord ' Wiederverei- nigung' op. Het is 3 oktober! Het Duitse volk herdenkt de hereniging van West en Oost met een vrije dag in de Nederlandse natuur, pannenkoeken en grote pullen bier. Naast mij zitten ruiters, sporen aan de laarzen, die dronken zijn en hard lachen.
Dat de mijnen werden gesloten, gold als vooruitgang. Het was onmenselijke arbeid, in onderaardse gangen waar ieder ander mens opsluitingsangst zou krijgen, en in gemeen stof.
Hoe gemeen wisten we niet, maar nog een kwart eeuw later heerste bitterheid onder oud-mijnwerkers die met hun van si- licose vervulde longen de trap niet opkonden en nooit 'erkenning' of vergoedingen hadden gekregen. Het was maar goed dat dit werk ophield, nu de techniek nieuwe, schone vormen van energie in petto had.
De spoorlijn buigt naar het zuidwesten; ik volg een zandweg met diepe moddersporen van tractoren. De verse geur van gekapt hout vermengt zich met de walm van een industrieterrein aan de overkant van het spoor, het stampen en zoemen van machines in fabriekshallen overstemt het wuiven van de dennen, maar de kunst van het wandelen is ongemakken te negeren. Langs het pad staan, na deze natte zomer, grote vliegen- zwammen; weiden en akkers zijn omzoomd door bosranden die oplichten in de middagzon. Dan moet ik omlopen langs een golflinks. 'I.v.m. uw eigen veiligheid (rondvliegende ballen) is het verboden het terrein te betreden.' Den Uyl was niet met lege handen naar Heerlen gekomen. daf zou nieuwe auto's en nieuwe werkgelegenheid komen brengen in de Mijnstreek. Maar in de jaren zeventig was de werkloosheid er hoger dan elders in het land. In de autofabriek werden geen auto's gemaakt, alleen in elkaar gezet. 'Het hart was weg, zonder nieuw hart,' constateerde Den Uyl vijftien jaar na die decemberdag in "65. Maar nu, weer vijftien jaar later, is de golflinks druk beklant. Is het een teken van nieuwe welvaart?
Roermond is een mooie stad, met veel oude deftigheid, een beetje Frans al. Over de grijze granieten voetbrug loop ik naar de voorstad Sint Jacob waar ik, dorstig geworden, in een café dat 'Faubourg Saint Jacques' heet twee glazen Limburgs witbier bestel, 's Avonds thuis sla ik De mijnen gingen open, de mijnen gingen dicht op. 'De mijnen zijn rücksichtslos gesloten,' mopperde nog in 1981 een opzichter van Staatsmijnen. 'De Beatrix bij Vlodrop is binnen vijf a zes jaar weer een prachtig mijnbedrijf. Daar moeten we weer beginnen!' Maarnegen jaar later werd het een nationaal park.