Oude postkantoren in Nederland 

zie bijlage voor de fotos


Het postkantoor is in deze dagen vaak een postwinkel geworden, met in de verkoop 'alles wat het verzenden gemakkelijk maakt\ Deze omschakeling naar méér commer- cie en klantgericht dienstbetoonnoodzakelijk geworden door de opkomst van de giro- maat met als gevolg minder werk aan de loketten, ging in de afgelopen jaren gepaard met het verdwijnen van honderden postkantoren dan wel de omzetting daarvan in postagentschappen. Bovendien ondergaat het interieur van het postkantoor van van- daag een complete gedaantewisseling. Alle reden dus om eens na te gaan hoe het er voorstaat met het postkantoor van vroeger. 
Voor 1850 was de postdienst in handen van particulieren of lagere overheden. 
Vaak was het postkantoor gevestigd in het huis van de plaatselijke postmees- ter. Alleen in de grote steden, knoop- punten van de officiële postritten met de postkoets, hielden de postmeesters er een kantoor op na. 
In 1799 werd de basis gelegd voor een nationaal postwezen. Alle inkomsten uit de posterijen gingen naar de staats- kas, zo werd bij decreet bepaald, en de steden kregen een schadeloosstelling. 
In 1806 werd een plan voor de organisa- tie van het nationale postwezen gepre- senteerd. De eerste Postwet, van 1807, gaf de staat het monopolie op bezorging van brieven met een gewicht tot één kilogram. Drie jaar later werd Neder- land ingelijfd bij Frankrijk, waarna alle Franse postwetten ook voor de Neder- landse posterijen van kracht werden. 
Koning Willem 1 besloot na de bevrij- ding van 1813 de sinds drie jaar bestaande structuur voor het postwe- zen te handhaven. Hij wees echter de posterijen aan als een zelfstandige dienst. In de decennia die volgden, wer- den de posterijen echter steeds meer een aan het departement van Financiën ondergeschikte dienst. De voornaamste taak daarvan was in toenemende mate 
het binnenhalen van zoveel mogelijk belasting voor de overheid, terwijl de postverwerking onder de maat bleef. 
De Postwet van 1850, gerelateerd aan de Grondwet van 1848, betekende een ingrijpende wijziging: dienstverlening kwam voorop te staan bij de postdienst. 
Belangrijk was de wet echter vooral door artikel 22: 'In elke gemeente van het Rijk wordt achtereenvolgende en zoodra de omstandigheden dit toela- ten, eene gelegenheid tot het ontvan- gen en verzenden van brieven met de post geopend.' Er kwamen dus post- kantoren. Het rijk begon met de aanwij- zing van honderdtwintig gemeenten, waarin kantoren gevestigd zouden worden. Later werd de lijst regelmatig uitgebreid. Na 1850 werden ook een flink aantal hulpkantoren en bestelhui- zen gesticht. Aanvankelijk was dat, zoals van oudsher, de woning van de postkantoordirecteur, maar dat bleek ook nadelen te hebben. Zo moest het kantoor mee met de directeur wanneer deze ging verhuizen. 
In 1869 besliste het ministerie dat per- manente postkantoren moesten wor- den ingericht. Vaak werd een gebouw van de gemeente gehuurd, waarin het postkantoor werd gevestigd. Ook dit bleek niet steeds de ideale oplossing, zodat rond 1890 veel nieuwe postkan- toren, hulpkantoren en bestelhuizen werden gebouwd. Intussen hadden de posterijen een stormachtige ontwikke- ling doorgemaakt: het postverkeer was aanzienlijk versneld, onder meer door de invoering van de telegraaf (rond 
1850) en de opkomst van de spoorwe- gen (in 1855 werd voor het eerst gebruik gemaakt van een rijdend postkantoor in de trein). 
Het eerste permanente postkantoor was het Koninklijk Postkantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal, gebouwd naar een ontwerp van Cornelis Outs- hoorn en gereedgekomen in 1856. 
Outshoorn bouwde later nog tal van markante gebouwen, waaronder het legendarische, in 1929 door brand ver- woeste Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Outshoorns postkantoor had evenwel een betrekkelijk kort 
8 4 S P I E G E L H I S T O R I A E L 
traal staat de derde kreet uit de revolutie van iySg,Jraternité, een bij uitstek fou- rieraans concept. De verkiezingen lopen voor de socialisten uit op een drama; het zijn de gematigde republi- keinse stromingen die het politieke roer in handen nemen. Sue wordt niet geko- zen als afgevaardigde. 
In 1850 krijgt hij een tweede kans. Hij wordt door een bijeengeroepen Con- clave républicain socialiste naar voren gedragen als kandidaat voor de vacante parlementszetel van het departement Seine (Parijs en de voorsteden). Zijn tegenkandidaat, Leclerc, behoort tot de conservatieve Parti de 1'Ordre, die op dat moment in het parlement de touw- tjes stevig in handen heeft. In Le Journal des Débats (waarin Sue nota bene voor het eerst zijn socialistische ideeën heeft gepubliceerd) wordt Sue fel aangeval- len; hij zou niet de progressieve hervor- mer zijn waarvoor hij zich uitgeeft. 
Met een uiterst krappe meerderheid van stemmen wordt Sue op 28 april 1850 gekozen tot parlementariër, het- geen meer op het conto geschreven kan worden van de algemeen bekende auteur dan op dat van de politicus Sue. 
Het door hem gepreekte socialisme (een in zekere zin vreedzaam, humani- tair, enigzins oriënterend socialisme) behoort tot de periode van voor 1848. 
De tijden zijn veranderd, er is geen plaats meer voor verheven illusies in een rap polariserend Frankrijk. De idealen van Eugène Sue zijn in 1850 passé. Zeifis hij uitgeteld, op. Niet alleen als politicus, ook als schrijver. 
Het monsterproject Les Mystères du Peuples (1849-1857) wordt een com- plete flop. 
De staatsgreep van Louis Napoleon Bonaparte op 2 december 1851 luidt het einde in van het democratisch experi- ment dat de Tweede Republiek heette. 
Precies een jaar later wordt het Empire uitgeroepen. Maar die datum heeft Sue, fel opponent van Napoleon 111, niet meer afgewacht. Uit eigen beweging vertrekt hij op 9 januari 1852 in balling- schap. De laatste fase van zijn leven woont hij in Annecy (Savoie). In deze jaren publiceert hij nog wat giftige 
pamfletten, zijn laatste pijlen gericht tegen het imperiale Frankrijk. Hij sterft, na een kort ziekbed, op 3 augustus 1857. 
Grand romantique 
Sues leven van schrijver tot politiek geëngageerde intellectueel heeft zich, eenvoudig geformuleerd, voltrokken in twee fasen. In de eerste kan Sue worden gezien als de rebellerende romantische held, oftewel het individu dat zich afzet tegen de maatschappij en - tot op zekere hoogte - zijn eigen milieu. Na zijn leven als echte dandy kan de tweede fase worden omschreven als een tijd waarin de held zich als individu inzet voor een betere samenleving. Sue als fourierist, als utopisch-socialist. 
Het scharnierpunt is daarbij het schrij- ven van Les My stères de Paris geweest. 
Maar geheel onverwacht voltrok deze transformatie zich niet: Sue had in zijn 
leven een oprechte belangstelling getoond voor menselijke misère, al was het maar uit hoofde van zijn arts-zijn. 
Daarnaast was hij toch ook een non- conformist, die een groot deel van zijn leven nodig had om zich in politiek opzicht te oriënteren. En zoals vele tijd- genoten was Sue lange tijd zoekende in de 'ideologische doolhof', die wemelde van de -ismen en waarin zowel ver- nieuwende als conservatieve denkers rondtastten. 
In zijn ontwikkeling is Sue ongetwijfeld een typische grand romantique uit de eerste helft van de 19 de eeuw. Gedu- rende de laatste jaren van de Franse monarchie heeft de socialistische kri- tiek kunnen ontkiemen, een kritiek die knaagde aan de economische en sociale structuren van diezelfde monarchale regimes, en die uiteindelijk haar steen- tje heeft bijgedragen aan 1848 en wat daarop volgde. Van deze evolutie is Sue ongetwijfeld een van de meest fascine- rende voorbeelden. • 
E U G È N E S U E 83 
H t t Ê g y g J 
JltfoJi* , ^SwatsHS 

Ü H B 

3 M 
1 WÈRt p ^ f S 
M O T B H P i W f f i ' i' > H ^ ^ ^ m H n ^ H m k». * '-'li SflpS ai |"J| i |Cf H B a W W tmr L | ^ iMjf1 * 1 j ^ L i l f t ^ i , 
^Ss^^js^i^fesi M O T E » ^Mbtm 
A Tot in de jaren zestig was dit Urkerpost- en telegraafkantoor gevestigd in een oude dokterswoning. De opname dateert uit 1914. Collectie auteur, evenals alle overige afbeeldingen. 
• Het oude postkantoor van Sliedrecht rond de eeuwwisseling. 
leven: in 1894 moest het wij ken voor een ruimer opgezet hoofdpostkantoor, gebouwd in de jaren 1895-1899 naar een ontwerp van C.H. Peters. 
Dit postpaleis, in de volksmond aange- duid als 'Perenburg', waarbij gedoeld werd op de torentjes van het gebouw, bleef tot 1990 in gebruik. Daarna kwam het in handen van een projectontwik- kelaar, die er een modern winkelcom- plex van maakte onder de naam Magna Plaza. Dat werd een kostbare operatie: voordat het gebouw in zijn oude luister was hersteld, moest een nieuwe funde- ring rondom de zo'n vierenhalfduizend oude houten palen worden aange- bracht. De totale verbouwing kostte ongeveer zeventig miljoen gulden. 
Eigen gezicht 
In totaal moesten in de tweede helft van de 19 de eeuw honderdveertig postkan- toren zelfstandig worden gehuisvest. 
Natuurlijk werden bestaande panden verbouwd, maar er werd ook een flink 
aantal opdrachten voor nieuwbouw gegeven, zoals in Rotterdam, Dordrecht, Groningen en Leeuwarden. De bouw van postkantoren kreeg echter pas een eigen gezicht tijdens het optreden van rijksbouwmeester Cornelis Hendrik Peters (1847-1932). Peters' ontwerpen gaven richting aan het postale bouwen in de eerste periode van de postkanto- renbouw in Nederland. Zijn neogoti- sche bouwstijl wordt vaak aangeduid als 'postkan torengotiek'. 
Na zijn opleiding aan het gymnasium in Groningen kwam Peters terecht op het architectenbureau van P.J.H. Cuypers in Amsterdam. Cuypers zag talent in Peters en liet hem al vrij snel zelfstan- dig werken. Mede op voorspraak van Cuypers werd Peters in 1876 benoemd tot bouwmeester van Financiën. In deze functie ontwierp hij het (vroegere) ministerie van Justitie aan het Plein in Den Haag, waarin ook duidelijk de invloed van zijn leermeester (ontwer- per van het Rijksmuseum in Amster- dam) te bespeuren viel. 
Na een korte periode bij Financiën trad Peters op als rijksbouwmeester, speci- aal belast met het ontwerpen van post- kantoren, ij kkantoren en andere dienstgebouwen. In 1882 werd het werkterrein in twee districten verdeeld. 
Peters kreeg district 1: het deel van Nederland boven de grote rivieren minus de provincie Zuid-Holland. 
Intussen had hij reeds het hoofdpost- kantoor in Den Haag tot stand gebracht. 
Het werd in 1880 in gebruik genomen. 
District II, het zuidelijk deel van ons land en Zuid-Holland, viel onder rijks- bouwmeester D.E.C. Knuttel (1857-1926). 
Peters bouwde uitsluitend in baksteen, in een stijl waarin zowel neogotische als renaissancemotieven voorkomen. 
Natuursteen gebruikte hij alleen voor banden, blokken en vensterbanken. 
Torentjes, uitbouwtjes en nissen schuwde hij niet. Hij had een voorliefde voor gemetselde bogen boven vensters, later werden die vereenvoudigd tot vensters die van boven de vorm van een boog hebben. Een aantal kantoren, zoals Nijmegen en Wageningen, heeft een risaliet, dat wil zeggen een even naar voren geplaatste topgevel. De bouwmeester gaf vooral aandacht aan de voorgevel - het visitekaartje zij - en achtergevels deden er duidelijk veel minder toe. 
Het eerste hoofdpostkantoor dat Peters bouwde, was dat in i^rnhem (1888). 
Daarna verrezen nog tal van zijn karak- teristieke, kleurrijke postkantoren, die ook nu nog vaak een verfrissend aan- zien hebben. Peters bouwde zo'n hon- derd nieuwe postkantoren in ons land, van het hoofdstedelijke postpaleis tot het hulppostkantoor van Schelling- woude (nu in gebruik als woning). 
Overigens ondervond Peters niet altijd waardering voor zijn ontwerpen. Zo ging het gemeentebestuur van Bergen (N.H.) in 1909 niet akkoord met het 
O U D E P O S T K A N T O R E N 85 
door hem gepresenteerde ontwerp voor een postkantoor. Architect H.P. 
Berlage kreeg een jaar later de opdracht voor de bouw van het kantoor in deze gemeente. De kosten beliepen /i3-499,-. 
Tegen het eind van de eeuw gaf de directie van de Posterijen Peters te ver- staan dat zijn ontwerpen te duur wer- den en soms ook niet aan de gestelde eisen voldeden. Over de kosten van het kantoor Uitgeest, een bedrag van ƒ 23.000,-, ontstond zelfs een rel. 
Peters had uiteraard weinig keus: zijn latere postkantoren, bijvoorbeeld in de provincie Friesland, waren soberder. Zo werd veel minder dan voorheen natuursteen toegepast. Later heeft Peters zich soms wat bitter uitgelaten over de desinteresse, de benepenheid en de zuinigheid van zijn opdrachtge- vers. Hij stopte met zijn werk als rijks- bouwmeester in december 1915. 
Zijn collega Knuttel van het tweede dis-
86 S P I E G E L H I S T O R I A E L 
trict bouwde in een andere, minder uit- bundige stijl. De door hem ontworpen postkantoren zijn vooral geïnspireerd door de classicistische vormgeving in een samenspel van i/de-eeuwse Neder- landse en Italiaanse renaissancekarakte- ristieken. Knuttels belangrijkste schepping is het ministerie van Econo- mische Zaken aan de Bezuidenhoutse- weg in Den Haag. 
Aanvankelijk werden post, telegraaf en (vanaf) 1881 telefoon vaak in één gebouw gehuisvest. Vanaf het begin van de 20ste eeuw waren de postkantoren uitgerust met houten telefoontoren- tjes, waarin de telegraaf- en telefoon- draden het gebouw binnenkwamen. In de jaren dertig kwamen de verbindin- gen onder de grond te liggen. Overigens kregen in de loop der jaren de onderde- len post, telefoon en telegraaf vaak weer aparte huisvesting. 
Voor de loket- en wandborden binnen en aan de buitenmuren van de postkan- toren ging vanaf omstreeks 1900 de ontwerper Cornelis de Lorm (1875-1942) aan de slag. Het eerste bord ontwierp hij in 1906 met de volgende tekst: 'Verzoeke de wachtkamer niet door spuwen te verontreinigen.' Tot in de jaren twintig bleef De Lorm, die refe- rendaris was bij het Centraal Bureau voor ambtenarenzaken van het minis- terie van Buitenlandse Zaken, in de avonduren zijn karakteristieke borden ontwerpen voor de PTT. 
Lokettenfront 
Wat het interieur van de oude postkan- toren betreft, het begon met een loketje 
- ook wel aangeduid als spreekraampje 
- in een raam aan de aan de straatkant gelegen woning van de postdirecteur. 
In de latere kantoren werkte men in de voor het publiek bestemde wachtzalen aanvankelijk met afzonderlijke loketra- men met hoge bovenvensters. Vervol- gens kwamen de getraliede lokettenfronten, waarvan het Amster- damse hoofdpostkantoor aan het eind van de 19de eeuw de primeur had. 
• De solide postkantoren uit de periode 1880-1920 lenen zich opmerkelijk goed voor hergebruik. Hier het kantoor van Naarden, in 1902 gebouwd onder architectuur van HA. 
Arentsen, nu verbouwd tot apotheek. 
Vanaf 1900 deden ze ook hun intrede in de andere kantoren. Daarnaast herberg- den de kantoren natuurlijk werkruim- ten, zoals een bestellerslokaal, en aanvankelijk ook een directeurswoning. 
Na de eerste wereldoorlog kwam, zij het betrekkelijk kort, ook de Amster- damse School aan bod. Nooit werd ech- ter een overheersende invloed op de bouw van postkantoren bereikt. Een prachtig voorbeeld is natuurlijk het postkantoor dat zich bevindt op de kop van het befaamde woningbouwproject van Michel de Klerk aan het Spaarn- dammerplantsoen in Amsterdam. 
Andere architecten die postkantoren bouwden in deze stijl, zijn J. Crouwel jr en rijksbouwmeester C.C. Bremer. Deze laatste ontwierp het postkantoor aan de Coolsingel in Rotterdam, dat tijdens het bombardement van Rotterdam ten dele werd verwoest en later werd verbouwd naar een ontwerp van J. Coenen. Crou- wel bouwde het postkantoor aan de Neude in Utrecht (1924), waarvan vooral de centrale hal imponeert. Zijn creatie werd op goede wijze gemoderni- seerd naar een ontwerp van vormgever R. van Raai te in het begin van de jaren tachtig. Daarentegen ging bij de verbou- wingvan Crouwels postkantoor in Haarlem veel van het oorspronkelijke karakter verloren. Andere postkantoren van Crouwel staan in Hengelo (G.), Doetinchem en Hippolytushoef. In een latere periode werden nieuwe postkan- toren tot stand gebracht door architec- ten als F.E. Röntgen (postkantoren Hilversum en Helmond) en ir J. de BruimDe Koog-Texel, Brunssum, Val- kenburg, Zierikzee e.a.), beiden mede- werkers van architect Bremer. 
Genoemde postkantoren kwamen rond de jaren veertig tot stand. Dat de tijd van Peters en zijn kleurige werkstukken definitief tot het verleden behoorde, bleek uit een beschouwing over een aantal door De Bruin gebouwde kanto- ren in het Bouwkundig Weekblad, orgaan van de Maatschappij tot Bevor- dering der Bouwkunst, van 8 maart 
1949. De redactie verklaarde hierin: 'De tijd is voorbij dat het postkantoor het bekende gebouw was dat boven zo vele 
't <p 
dorpen en kleine stadjes van ons land uitrees in een soort van neo-gotische renaissance stijl van kleurige baksteen. 
Op zichzelf in het algemeen aantrekke- lijk, maar dikwijls ontsierd door een stellage hoog op het dak, waar de tele- graaf- en telefoondraden uitkwamen. 
Het waren openbare gebouwen met de pretentie dat zij gebouwen van de PTT waren. De Rijksgebouwendienst is een nieuwe richting ingeslagen: de gebouwtjes zijn proportioneel terugge- bracht tot eenvoudige dienstgebouw - tjes, in het kader van kleine stadjes en dorpjes passend.' 
Tweede leven 
Hoe staat het er thans voor met het tra- ditionele postkantoor, dat men vroeger steevast vond in het centrum van dorp of stad, dicht in de buurt van het raad- huis? Met die kantoren gaat het eigen- lijk niet zo slecht. Natuurlijk zijn er hier en daar postkantoren afgebroken, maar het merendeel van de oude gebouwen is tot op heden in stand gebleven. Som-
O U D E P O S T K A N T O R E N 87 
• Het postkantoor op de hoek van het befaamde woningbouwcomplex in de Spaarndammerbuurt in Amsterdam, gebouwd in 1917 in de stijl van de Amsterdamse School naar een ontwerp van Michel de Klerk. 
mige staan op de monumentenlijsten van rijk, provincie of gemeente. Globaal genomen functioneert de helft ervan nog als postkantoor, de overige hebben een tweede leven gekregen. Als bank (Haarlem), apotheek (Naarden), galerie (De Koog-Texel), winkel (Katwijk aan Zee), appartementen (Oegstgeest), om maar enkele voorbeelden te noemen. 
In 1990 werd in overleg met minister H. 
Maij-Weggen besloten het aantal post- kantoren en -agentschappen in vier jaar tijds terug te brengen van zo'n 2500 tot 
2170. Een derde deel daarvan bestaat uit traditionele kantoren. Dit besluit bete- kende de verdwijning van een flink aan- tal kantoren, vooral in de grotere steden. Het aantal agentschappen werd enigermate uitgebreid. In een aantal dorpen zullen mini-postkantoren voor het basispakket (geld opnemen, postze- gels kopen) komen. 
Bovendien ging in het najaar van 1993 een ambitieus vijfjarenproject van start om de postkantoren te 'vitaliseren': ze moesten klantvriendelijker worden en de dienstverlening verbreed. De nieuwe opzet voorziet ook in de verkoop van min of meer verwante artikelen. En zelfs worden reizen aangeboden even- als uitzendwerk. 
4 We moesten wel wat doen', weet pro- jectleider T. Boers van Postkantoren bv, want weliswaar liepen de mensen te hoop als er een postkantoor werd geslo- ten, maar ja, er kwam niemand meer binnen...' Het aantal baliehandelingen in de postkantoren liep vanaf de intro- ductie van de geldautomaat snel terug. 
Er werden fikse verliezen geleden. De nieuwe opzet (die een investering van 340 miljoen gulden vergt) voorziet in een open baliesysteem, waardoor - merkwaardig op het eerste gezicht - de veiligheid wordt gediend. Overvallen op vernieuwde postkantoren komen bijna niet voor. Boers: 'Er wordt gewerkt met geautomatiseerde appara- tuur met codes en een tijdvertragings- mechanisme voor het uitbetalen van geld. Met andere woorden, het perso- neel kan eenvoudig niet voldoen aan een eis om geld.' 
Aan de nieuwe inrichting van de post- kantoren wordt hard gewerkt. Dat bete- kent natuurlijk ook het definitieve einde van het oude postkantoorinteri- eur met zijn lokettenfronten, eerst ge- tralied en later met gepantserd glas, al was dat toch al voor een belangrijk deel verdwenen. Zullen de resterende tradi- tionele postkantoren ook deze storm 
van de moderne tijd doorstaan? 
Boers: 'Wij proberen dit concept in alle kantoren door te voeren, maar er zijn grenzen. Neem bijvoorbeeld het kan- toor van Crouwel aan de Neude in Utrecht: die mooie hal zal toch altijd zichtbaar moeten blijven.' Hij noemt verder het oude kantoor in Zutphen, waar een speciale constructie het ruim- telijk effect moet doen behouden, en het kantoor in Goes dat met veel zorgen is omringd. 
In sommige gevallen verkoopt Postkan- toren bv oude postkantoren, zoals het door Peters ontworpen kantoor in Apeldoorn, dat bij de uitbreiding van het stadhuis is betrokken. Soms wordt een kantoor verkocht met het recht dat een gedeelte van het gebouw kan wor- den teruggehuurd of een deel van het (oude) postkantoor wordt verhuurd aan derden. 
In vroeger dagen was het postkantoor een centraal punt in de samenleving, hetgeen werd benadrukt door de plaats van het kantoor in dorp en stad. Boers: 'Op een andere, moderne manier willen we dat het postkantoor zijn maatschap- pelijke betekenis blijft behouden.' • 
88 S P I E G E L H I S T O R I A E L 
 

Bijlagen

Oude postkantoren in Nederland-com.pdf