Utrecht stad
Hoewel Utrecht aan drie be­ langrijke autowegen ligt (de a2, de a1 2 en de A27), is het niet goed mogelijk om de binnenstad met een auto te bereiken. Moeilijker nog is het om binnen het centrum de weg te vinden. Automobi­ listen die Utrecht niet goed kennen, moeten dat dan ook maarniet doen.
Utrecht is met 300.000 inwoners de vierde stad van Neder­ land, na Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, en het is de oudste van die vier. In het jaar 47 na Christus was er al een Ro­ meinse legerplaats en in 690 vestigde de prediker Willibrord zich binnen de oude Romeinse muren van Utrecht. Toen de­ ze tot bisschop der Friezen werd benoemd, werd Utrecht het centrum van het christelijke geloof in de noordelijke Neder­ landen. En nog altijd is Utrecht de zetel van de aartsbisschop van de rooms-katholieke kerk in Nederland.
Doordat de bisschop sedert de tiende eeuw ook met we­ reldlijke macht werd bekleed en de bisschop van Utrecht op die manier de belangrijkste vorst van de noordelijke Neder­ landen was, vestigden veel handelaren zich in deze veilig ge­ achte stad. Zij werden ook aangetrokken door de gunstige ligging van Utrecht aan vele vaar- en landwegen. Die cen­ trale positie van de stad heeft in de loop der euwen veel bij­ gedragen aan de groei van Utrecht. In de twaalfde en der­ tiende eeuw (de eerste bloeitijd van de stad), in de zestiende en zeventiende eeuw (de tweede bloeiperiode, die samenviel met Hollands Gouden Eeuw), de negentiende eeuw (toen de spoorwegen Utrecht als middelpunt uitkozen en er zich veel industrie vestigde aan het pas gegraven Merwedekanaal) en de huidige tijd (nu de stad samen met de omliggende stede­ lijke gebieden veel jonge tweeverdieners aantrekt).
Een tocht door de oude binnenstad, die zich binnen de sin­ gels bevindt en op de plattegrond ongeveer de vorm heeft van een harp, zou het best kunnen beginnen bij het station, iets buiten de voormalige vestingwallen.* Wat we daar aantreffen, is werk in uitvoering. Want het stationsgebied gaat compleet op de schop. Het hele stuk stad tussen het Jaarbeursterrein en het Westplein ten westen van het station, en de Catharijnesin- gel en het Vredenburg ten oosten van het station zal worden gereconstrueerd onder leiding van Benthem Crouwel, een ar­ chitectenbureau dat in dezelfde periode de stations van Am­ sterdam, Rotterdam en Den Haag aan het bouwen en verbou­ wen is.
Benthem Crouwel is aan het proberen een van de grootste stedenbouwkundige rampen van de jaren zestig in Nederland tot iets deugdelijks om te vormen. De ramp is in 1963 be­ gonnen met een door de gemeenteraad goedgekeurd plan van bouwbedrijf Brederode om het stationsgebied om te vormen tot een winkel- en kantorencentrum en het beter bereikbaar te maken voor het autoverkeer. Het centrum, dat Hoog Ca- tharijne ging heten en een verhoogd stationsplein kreeg, zou bovendien een prachtige verbinding zijn tussen het nieuwe
577
Hoog Catharijne, 1983 Jaarbeurscomplex aan de westkant en het nieuwe muziekcen­ trum Vredenburg aan de oostkant. Idealiter zou Hoog Catha­ rijne moeten doorlopen tot aan de Oude Gracht. Dat laatste is niet gebeurd, maar verder is het geheel door een project­ ontwikkelaar bedachte en zonder al te veel stedenbouwkun­ dig talent getekende plan geheel naar wens van Brederode uitgevoerd.
Dus werd het stationsgebouw van S. van Ravesteyn ge­ sloopt, werd de hele wijk tussen het station en de Catharij- nesingel neergehaald (waaronder een prachtig jugendstilge- bouw van verzekeringsmaatschappij de Utrecht), werd de Ca- tharijnesingel gedempt en werd er een brede autoweg langs de oostkant van het nieuwe complex gelegd. Aan de westzij­ de verrezen ondertussen de nieuwe gebouwen van de Jaar­ beurs, waarvan het Beatrixgebouw pal tegen het spoor kwam te staan. Vandaar ging een verhoogd voetgangersviaduct zes meter boven het spoor naar het winkelcentrum Hoog Catha­ rijne, dat tot in de binnenstad doorliep. Op de plek van de ge­ sloopte wijk kwamen ook nog kantoren, woonflats, een par­ keergarage en het nieuwe muziekcentrum Vredenburg, dat op de plaats kwam van de in 1917 opgerichte Jaarbeurs.
Stedenbouwkundig rommeltje
En zo zat Utrecht, na de opening in 1973 door prinses Beatrix, veertig jaar opgescheept met een stedenbouwkun­ dig en bouwkunstig rommeltje. Het station was geen station, maar een traverse met kaartverkoop en kiosken, ingeklemd tussen de Jaarbeurs en Hoog Catharijne, het complex had geen gezicht aan de stadszijde, het gebied op de begane grond
Nadat Utrecht in 1845 een spoorverbinding met Amster­ dam en Arnhem had gekre­ gen, volgden er in de loop van de negentiende eeuw lijnen met Rotterdam, Zwolle, Den Bosch en Hilversum, aange­ legd en geëxploiteerd door verschillende spoorwegmaat­ schappijen. In 1917 leidde een al eerder begonnen sa­ menwerking van deze bedrij­ ven tot de oprichting van de NV Nederlandsche Spoorwe­ gen, een vennootschap die zich in Utrecht vestigde. Er kwamen administratiegebou­ wen voor de NS, maar ook werden er in de hoofdstad van het Nederlandse spoor loodsen gebouwd voor het onderhoudsbedrijf van de spoorwegen, Werkspoor. Door de goede distributiemogelijk­ heden van de stad, niet alleen via het spoor maar ook via het in 1892 geopende Mer- wedekanaal, werd Utrecht een aantrekkelijke vestigings­ plaats voor andere industrie­ ën dan de spoorwegen.
werd een onleefbare onderwereld, reizigers konden vanaf het straatniveau met de busperrons het station niet goed vinden, de hoge hal zag er zelfs na de opknapbeurt van 1989 armoedig uit en trok samen met het winkelcentrum steeds meer zwer­ vers en drugsverslaafden aan. Het was dan ook geen pretje ’s avonds in het slechts door deze bevolkingsgroepen gefre­ quenteerde winkelgebied naar de Utrechtse binnenstad te moeten lopen.
De architecten Jan Benthem en Mels Crouwel, die vooral door het succes van het door hen ontworpen Schipholcom- plex de opdracht voor alle grote stationsverbouwingen in de vier grote steden hebben gekregen, gaan hier samen met hun bureau flinke veranderingen aanbrengen. Er komt een stati- 579 on (‘ov-terminal’ heet het in het plan) met aan beide kanten een royaal stationsplein, bussen en trams bevinden zich op hetzelfde niveau, Hoog Catharijne wordt een minder deso­ laat Nieuw Hoog Catharijne, de Catharijnesingel krijgt weer water, net als misschien het Smakkelaarsveld, dat dan als ha­ ven voor een verbinding met de Leidse Rijn zorgt, het hele oostelijke gebied wordt opnieuw ingericht in een poging om het meer bij de stad te betrekken, aan de westkant krijgt het Westplein een tunnel, zodat het daar boven de grond iets ge­ zelliger kan worden, en aan dezelfde kant komen een mega­ bioscoop, een casino en een nieuw stadskantoor. De traverse boven het spoor blijft, maar krijgt een totaal nieuw, bijna fu­ turistisch uiterlijk. Aan de oostkant komt in de plaats van het huidige Vredenburg bovendien een geheel vernieuwd mu- ziekgebouw. Daarover later.
Voordat we over de wellicht weer van water voorziene Catha­ rijnesingel het zuidelijk deel van de stad in gaan, is het aar­ dig een kleine omweg te maken langs de gebouwen van de Nederlandse Spoorwegen, waarvan de mooiste tegenwoordig worden gebruikt door ProRail, de firma die sinds de verzelf­ standiging van de n s in 1995 het Nederlandse spoor beheert.* Na een foeilelijk, tegen het spoor aan gebouwd kantoorge­ bouw dat in gebruik is bij de ns zelf, zien we op een hoek van de Laan van Puntenburg een aardig gebouw in neorenaissan- cistische stijl, dat via een tunnel verbonden is met het hoofd­ kantoor van ProRail, het prachtige, kasteelachtige bouwwerk aan het Moreelsepark, dat vanwege zijn vorm De Inktpot wordt genoemd. Het is tussen 1918 en 1921 gebouwd naar een ontwerp van G. W. van Heukelom (1870-1952), die er 22 miljoen bakstenen in liet verwerken. Die bakstenen domine­ ren, samen met veel eikenhout, ook het interieur van deze ode aan de baksteen, zo melden de architectuurgidsen, maar ver­ der dan de strenge receptionistes in de hal komt de niet ge­ node bezoeker niet.
Op het fortachtige, sacrale spoorkasteel bevindt zich naast de toren een grapj eskunstwerk van Mare Ruygrok. Het is een vliegende schotel met een diameter van twaalf meter, die hier is blijven staan na een kunstmanifestatie, gehouden in het jaar 2000. Het kunstwerk voor het gebouw is een monument voor in de Tweede Wereldoorlog gevallen spoorwegperso­ neel. De beeldengroep is in 1949 gemaakt door Willem Valk (1898-1977), een beeldhouwer die tientallen jaren in Gronin-
gen werkte en veel heelden voor de gebouwen van Siebe Jan Bouma maakte (zie bij Groningen stad). Op de sokkel staan de namen van de vijfhonderd omgekomen Ns-beambten en een gedicht van Hendrik de Vries.
Oud-katholieke kerk
Als we dan aan de overkant van de Catharijnebaan binnen de oude vesting zijn geraakt, bevinden we ons op de Mariaplaats. 
Aan het Willemsplantsoen rechts zien we een niet al te mooie neoromaanse kerk met twee torens, die in 1913 is gebouwd voor de oud-katholieke kerk. De kathedraal Ste Gertrudis behoort aan een kerkgenootschap dat aan het begin van de achttiende eeuw in Utrecht is ontstaan en zich toen vooral onderscheidde van de kerk van Rome door het afwijzen van de centrale rol van de paus. Later verwierp de oud-katholieke kerk het in 1854 door paus Pius ix vastgestelde dogma van de onbevlekte ontvangenis van de Maagd Maria en de in 1870 bij het Eerste Vaticaans Concilie uitgesproken onfeilbaar­ heid van de paus wanneer hij ex cathedra sprak. Tegenwoordig vormen de oud-katholieken een in vele opzichten vrijzinnige stroming binnen het katholicisme, onder meer door de ophef­ fing van het celibaat, het toelaten van vrouwelijke priesters en het vieren van de liturgie in het Nederlands. De oud-katho- lieken hebben vijfduizend leden en een eigen aartsbisschop.
Pieter Jansz. Saenredam, 
Gezicht op de Mariaplaats
Pieter Saenredam (1597- 
1665) heeft het grootste deel van zijn leven in Haarlem ge­ woond en gewerkt. Hij was een architectuurschilder die streefde naar een absoluut getrouwe afbeelding van de werkelijkheid. In zijn kerkin­ terieurs bereikte hij daarmee bijna de perfectie. Veel heeft Saenredam gehad aan zijn vriendschap met Jacob van Campen, die later beroemd zou worden als architect van het Amsterdamse stad­ huis en hem waarschijnlijk heeft ingewijd in de kennis van het perspectief. Om ge­ bouwen waaraan Van Cam­ pen werkte, goed in kaart te brengen hielp Saenredam zijn vriend vaak als bouwkun­ dig tekenaar. Teneinde een zo natuurgetrouw beeld van de werkelijkheid te bereiken tekende Saenredam altijd ter plekke. In 1636 verbleef hij vijf maanden in Utrecht, waar hij de tekeningen maakte die hij later schilderend zou uitwerken. Het werden deze keer geen interieurs, maar een stadsgezicht (Gezicht op de Mariaplaats te Utrecht) en het eveneens in 1662 geschilderde Gezicht op de westgevel van de Mariakerk te Utrecht, een werk dat ook in de wonderbaarlijk mooie, fletse Saenredamkleuren licht
Gezicht op de Maria­ plaats in 2009
Wanneer we aan het begin van de Mariaplaats voor ons uit kijken, zien we nog gedeeltelijk wat Pieter Saenredam zag toen hij in 1636 op deze plek een voorstudie maakte van het schilderij Gezicht op de Mariaplaats te Utrecht, dat hij pas in 1662 voltooide.* Het prachtige stadsgezicht hangt in Mu­ seum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en laat op de achtergrond de toren van de Buurkerk en de Domtoren zien. 
Die zien we nog steeds, net als de Mariaplaats zelf, maar de schitterende Mariakerk, een romaans wonder uit de twaalfde eeuw, is aan het begin van de negentiende eeuw afgebroken. 
Op die plaats staat nu het uit 1845 stammende Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, waar het conservatorium huist. 
Van de kerk is nog de mooie pandhof, de voormalige binnen­ plaats van het klooster van de kerk, en een deel van de kloos­ tergang bewaard. Hoewel er huizen tegenaan gebouwd zijn, heeft de kloosterhof met zijn mooie zuilen met simpele kapi­ telen nog een redelijk middeleeuwse sfeer behouden.
Rechts aanhoudend komen we achter het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen op een mooi plein, dat ook Ma­ riaplaats heet.* We bevinden ons in het zuidelijk deel van
Pandhof Mariakerk
582 en helder bruin, grijs en roze is geschilderd en in het Mu­ seum Thyssen-Bornemisza te Madrid hangt. In het Maurits- huis in Den Haag bevindt zich het kleinere, maar ook prach­ tige schilderij De Mariaplaats met de Mariakerk te Utrecht, dat hij iets eerder, in 1659, maakte en waarop de schilder vanuit het noorden naar de kerk kijkt.
In het eerste deel van de Ma­ riaplaats bevindt zich rock- café Stairway to Heaven, dat mede-eigendom is van Henk Westbroek. Deze radiopresen­ tator en muzikant werd voor de gemeenteraadsverkiezin­ gen van 1998 lijsttrekker van Leefbaar Utrecht, een partij die met negen zetels de grote winnaar van die verkiezingen werd. Westbroek behoorde het jaar daarna tot de me­ deoprichters van de landelijke partij Leefbaar Nederland. 
Omdat hij niet erg gelukkig was met het bestaan als po­ liticus, ging hij zich in 2002 weer aan de muziek en de media wijden. Met zijn oude collega Henk Temming ging hij in 2008 weer op tournee als Het Goede Doel, de naam van de band waarmee beiden in de jaren tachtig grote hits behaalden.
de historische binnenstad, dat Museumkwartier wordt ge­ noemd. Er zijn inderdaad veel musea in deze wijk, veel res­ taurants en uitgaansgelegenheden ook, en er is geen lelijk ge­ bouw te zien. Utrecht, dat in het noordelijk deel van het cen­ trum ook niet lelijk is, is hier op zijn mooist. In vele eeuwen tot stand gebracht, vaak met een rommelige stedenbouw die er vooral op gericht was de toenemende bevolking te huis­ vesten, is de binnenstad toch een harmonisch geheel met een paar prachtige grachten en erg mooie straten, en haaks op die lange noord-zuidverbindingen een groot aantal aantrekkelij­ ke dwarsstraten en stegen.
Oude gracht
Een van die dwarsstraten is de Zadelstraat, een aangename winkelstraat die van de Mariaplaats in de richting van de Domtoren gaat. Dit 112 meter hoge beeldmerk van Utrecht is vanaf veel plaatsen in de stad goed te zien, maar nergens staat het zo mooi een superieur decorstuk te wezen als aan het eind van de Zadelstraat. Daar gekomen blijkt de toren iets verder weg te staan (aan het eind van de Servetstraat) en bereiken wij het water van de Oudegracht. Links zien we de Vismarkt, die zich op de gewelfde brug over de gracht bevindt, waar nu ter­ rassen zijn, en rechts heet het nog even Lichte Gaard, Don­ kere Gaard en Lijnmarkt voordat de Oudegracht zijn eigen naam mag voeren.
Wat we rechts, aan de zuidkant, zien, is van een grote su- per-Nederlandse schoonheid. Eerst staan de huizen, met een korte, lage kade voor de achterdeur, als het ware in het water, later, waar het Oudegracht heet, zien we brede kades, die hier werven worden genoemd, waarop de kelders van de huizen aan de gracht uitkomen. Die werfkelders gaan onder de straat door en komen, vaak met mooie bogen, deuren en betraliede ramen uit op een soort tweede straat, vlak boven het water­ oppervlak. Deze werven zijn voorzien van bomen en kunnen bewandeld worden doordat ze met mooie houten trappen ook vanaf de straat te bereiken zijn.*
idelstraat met un toren
In de twaalfde eeuw, toen de Oudegracht werd gegraven, werden de pakhuizen aan de straat via de werfkelders be­ voorraad. Utrecht was toen een welvarende handelsstad en had via de Oudegracht een verbinding met de Kromme Rijn, de Vecht en de Hollandse IJssel en dus met een belang­ rijk deel van de omringende wereld. Terwijl de meeste ste­ den het nog met houten hui­ zen moesten doen, bouwde Utrecht aan de Oudegracht al stenen panden.
583
Wanneer we, boven of onder, de Oudegracht in zuidelijke richting afgaan, lijkt hij steeds mooier te worden. Dit deel van de gracht, dat Oudegracht Tolsteegzijde wordt genoemd, is het eerst gegraven, het stuk ten noorden van de Vismarkt, dat met een grote bocht naar de Weerdsingel gaat, is aan het eind van de twaalfde eeuw tot stand gekomen. In tegenstelling tot die Oudegracht Weerdzijde, waar de werven bedekt zijn met de terrassen van de vele eet- en drinkgelegenheden, is de Tol­ steegzijde redelijk leeg en stil. Hoe zuidelijker we komen, hoe minder winkels en hoe meer woonhuizen er langs de gracht staan. Waar de gracht aan het eind een flauwe bocht maakt, krijgen de werven een ander uiterlijk. Waar het Twijnstraat aan de Werf wordt genoemd, zien we zelfs ingangen van hui­ zen aan de kade liggen.
Niet alleen de gracht is prachtig, ook de straten en de ste­ gen die erop uitkomen zijn allemaal mooi. Gaan we bijvoor­ beeld via de Geertestraat even van de gracht af in de rich­ ting van de singel, dan zien we een prachtig beboomd plein, het Geerte Kerkhof, waarop de Geertekerk staat. Het is een mooi gebouw met romaanse en gotische kenmerken, dat vooral een heel mooie toren heeft. Omdat er zoveel bomen rond om de kerk staan (Utrecht heeft opmerkelijk veel bo­ men), is het bouwwerk, dat in gebruik is bij de Remonstrantse Gemeente, niet overal goed te zien.
Oudegracht
Springweg
Hier vlakbij, aan het Vis- schersplein 75 (eerder een woonstraat dan een plein), bevindt zich het hippe en wat tuttige restaurant Luce, dat in een trendy interieur erg lek­ ker eten serveert voor niet te veel geld. De kok is graag be­ zig met bijzondere gerechten, maar laat zich niet verleiden tot uitsluitend een vertoon van smaken; het blijft eten.
Op het Geerte Kerkhof komt de Springweg uit, die vanaf de Mariaplaats bijna parallel aan de Oudegracht van noord naar zuid gaat. Het is een aantrekkelijke straat met hier en daar mooie gebouwen en huizen, waaronder een witgepleisterd hofje en een voormalig klooster dat tegenwoordig een appar­ tementencomplex is. Op nummer 64 bevindt zich restaurant Blauw, een modern, enigszins trendy restaurant met een In­ donesische keuken. Het heeft in Utrecht een goede naam en wordt door het gastronomische blad Lekker geprezen. Er on­ geveer tegenover ligt de achterkant van het deftigste hotel van de stad, Grand Hotel Karei v, een ballentent die niet voor iedereen geschikt lijkt. Het heeft een restaurant met een ster van Michelin, waar het vooral protserig en duur is. Daar­ om is het wellicht aan te bevelen eens een maaltijd te probe­ ren in brasserie Goeie Louisa, een simpeler restaurant aan de Springweg-kant van het hotel, dat gerechten uit dezelfde keuken als het sterrenrestaurant serveert voor heel redelijke prijzen.*
Wanneer we vanaf het Geerte Kerkhof over de Pelmolenweg langs de singelgracht naar het zuiden gaan, komen we een aantal steegjes tegen, waarvan de pittoreske Lange Rozen- daal doorloopt naar de Oudegracht. De andere steegjes be­ vinden zich achter de bebouwing van de Oudegracht. Ze zijn tussen 1842 en 1867 aangelegd in opdracht van het katho­ lieke ‘Armbestuur’ en voorzien van nederige huisjes, die ar­ chitectonisch niet slecht zijn. Waar de Pelmolenweg overgaat in het Pehnolenplantsoen, zien we rijkere huizen uit de jaren 
Jos Stelling maakte in 1974 naam met zijn debuutfilm Mariken van Nieumeghen, die in 1975 werd geselecteerd voor het filmfestival van Can- nes. Later maakte hij onder meer De Illusionist met Freek de Jonge (1984) en De Wis- selwachtermet Jim van der Woude, naar een boek van Jean-Paul Franssens (1986). 
In 1981 nam Stelling het ini­ tiatief voor de Nederland­ se Filmdagen, waaruit later het Nederlands Film Festival voortkwam.
twintig en dertig, die zijn gebouwd voor de gegoede burgerij en die ook niet lelijk zijn. Het plantsoen is naar een plan van landschapsarchitect J.D. Zocher jr. (1791-1870) in het mid­ den van de negentiende eeuw aangelegd op de plek waar de zestiende-eeuwse verdedigingswerken uit de tijd van Karei v werden afgebroken. Hier bevond zich, in de bocht van de gracht, het bastion Sterrenburg, verderop zien we de resten van nog twee bastions.
Via de Bijlhouwerstraat komen we dan op een brede, van terrassen voorziene brug, waar deTwijnstraat aan de Werf (de Oudegracht) en de Twijnstraat samenkomen. We kijken aan tegen het Louis Hartlooper Complex, een filmtheater dat gevestigd is in een voormalig politiebureau. Het is in 1928 ge­ bouwd naar een ontwerp van de toenmalige gemeentearchi- tect van Utrecht, J.I. Planjer (1891-1966) in een aan de Am­ sterdamse School verwante stijl. Het theater is eigendom van Jos Stelling, de filmregisseur en producent die in 1978 aan de Springweg onder de naam Springhaver zijn eerste bioscoop begon en in 2004 op deze plek een nieuw theater opende.* De bioscoop is genoemd naar Louis Hartlooper (1864-1922), die als explicateur van stomme films een lokale beroemdheid was. In het prachtige trapportaal van het mooie theater is een borstbeeld van Hartlooper te zien. Het complex heeft een prettig café met een terras, waar goede koffie en goede brood­ jes worden geserveerd.
Via de Oude Tolsteegpoort bereiken we het vervolg van de plantsoenaanleg van Zocher, op de plaats van het voormali­ ge bastion Manenburg. De twee zestiende-eeuwse gebou­ wen die hier nog altijd staan, heeft Zocher in zijn plan gepast, vast en zeker ook tot genoegen van de mensen die er tegen­ woordig wonen. Wanneer we via de Nicolaasdwarsstraat naar links gaan, zien we rechts de negentiende-eeuwse paarden­ stallen die tegenwoordig deel uitmaken van het Centraal Mu­ seum. Dan komen we op het Nicolaas Kerkhof, een van de vele mooie Utrechtse pleinen rond een kerk. Hier is dat de Nicolaaskerk, een gebouw dat nog voor een deel twaalfde- eeuws is. Er zijn twee romaanse torens, waarvan het ene in later tijden een dakje en het andere een barok extra torentje heeft gekregen. De mooie galmgaten zijn puur romaans. Bin­ nen is de kerk, die zelden open is voor publiek, op een wat en­ ge en smakeloze manier protestants gemaakt.
Centraal Museum
Naast de kerk bevindt zich de ingang van het uitgebreide com­ plex dat samen het Centraal Museum is. Het bestaat vooral uit de gebouwen van een voormalig middeleeuws klooster en die van de negentiende-eeuwse paardenstallen van de cavale­ rie. Het is een waar doolhof, zodat het heel goed mogelijk is dat de bezoeker een aantal zalen mist. Tot de collectie behoort een aardige verzameling middeleeuwse schilderijen met veel werk van Jan van Scorel, mooi zeventiende-eeuws werk van de Utrechtse schilders Johannes Moreelse, Paulus Bor en Jan van Bijlert, van wie de laatste wordt gerekend tot de Utrecht­
585
586
se caravaggisten. Leden van deze groep, van wie Hendrick Brugghen en Gerard van Honthorst de belangrijkste wart introduceerden na terugkeer van hun studiereizen naar Ita in Utrecht de stijl van de Italiaanse schilder Caravaggio. V deze groep bezit het museum een groot aantal werken.
Van de moderne schilderkunst heeft het museum de collec tie Van Baaren, genoemd naar twee Utrechtse kunstverzame­ laars die gespecialiseerd waren in landschappen en stillevens uit de negentiende en twintigste eeuw. We zien onder meer werk van Van Gogh, Jan Sluyters, Isaac Israëls en Mondri­ aan. Verder bezit het museum werk van de realistisch, of mis­ schien liever magisch-realistisch schilderende Carel Willink en Pyke Koch, en van de surrealist Johannes Moesman. Tus­ sen de oude en nieuwere schilderijen door zien we af en toe wat hedendaagse kunst uit de collectie. Veel daarvan valt on­ der de toegepaste kunst, zoals de jurken van Victor en Rolf, die in de kapel van het museum zo in het licht zijn gezet dat de prachtige middeleeuwse beeldjes er vrijwel niet meer te zien zijn.
Rietveld
Het museum bezit een grote collectie meubels van Gerrit Rietveld (1888-1964), de meubelmaker en architect die zijn hele leven in Utrecht heeft gewoond en gewerkt. Op foto’s zijn zijn belangrijkste bouwkunstige werken te zien. Het be­ roemdste, het Rietveld-Schröderhuis, wordt sinds 1987 be­ heerd door het Centraal Museum en is te bezoeken met een busje dat van donderdag tot en met zondag vanaf het mu­ seum naar de Prins Hendriklaan rijdt, waar het huis staat. In die ‘Rietveld Shuttle’ wordt tijdens de rit een video vertoond over Rietvelds leven en werken, waarna het huis onder leiding van een gids wordt bezichtigd. Vaak is dat vervelend (zo’n gids vertelt dingen die de geïnteresseerde bezoeker al weet of goed kan opzoeken in een boek), maar hier voegt de gids veel toe aan de wetenschap dat Rietveld het huis in 1924 in samen­ spraak met zijn opdrachtgever en vriendin Truus Schröder-
Rietveld-Schröderhuis
Voor mensen die op eigen ge­ legenheid naar het Rietveld- Schröderhuis gaan en die dus alleen de buitenkant kunnen bewonderen, heeft de beheer­ der bij het huis een kast met stereofoto's van fotograaf Wim van Egmond opgesteld. 
Op die manier is het interieur in ieder geval in drie dimen­ sies te zien. Ook aan de an­ dere kant van het viaduct, bij de woonblokken van Rietveld aan de Erasmuslaan, staat een kastje met stereofoto's van de interieurs daar.
Schrader ontwierp en dat hij dat deed volgens de principes van De Stijl, de groep waarbij Rietveld zich in 1919 had aan­ gesloten en die geometrische vormen en het gebruik van de kleuren rood, geel, blauw, zwart, wit en grijs voorstond. Want de gids mag schuiven en draaien met de muren, die kunnen worden bewogen door middel van een ingenieus railsysteem, waardoor de indeling van het huis verandert. En dat is een fantastische architectonische attractie.* Het huis, dat een tot drie dimensies uitgebouwde collage van vlakken en lijnen lijkt en daardoor een bouwkunstig we­ reldwonder is geworden, staat op een tamelijk bespottelijke wijze tegen de kop van een rij saaie huizen aan en kijkt uit op een viaduct waarover een drukke weg loopt. Die belangrijke 587 noord-zuidverbinding werd al vlak na de bouw van het huis aangelegd, waardoor het als ruim en rustig gedachte uitzicht verdween, en aan het begin van de jaren zestig werd die weg omhooggebracht en verbreed. Rietveld wilde het huis, waar mevrouw Schröder nog altijd woonde, het liefst afbreken; mevrouw Schröder voerde actie om het viaduct lager te laten maken dan gepland. Zij slaagde daarin, en zo is het viaduct in ieder geval zo laag dat er geen vrachtwagens onderdoor kun­ nen. Het uitzicht van het huis waar zij tot haar dood in 1985 woonde, was en is nog altijd volledig verpest.
Wanneer we met de gids onder het viaduct door gaan op weg naar een ander gebouw van Rietveld, zien we dat daar in Delfts blauw tegeltableaus zijn aangebracht met afbeeldin­ gen van door Rietveld ontworpen stoelen. Aan de andere kant van de onderdoorgang komen we dan op de Erasmuslaan, waar Rietveld tussen 1930 en 1931, alweer in samenwerking met mevrouw Schröder, twee woonblokken heeft ontwor­ pen die zeer afwijken van de principes van De Stijl. Hij heeft zich met deze strakke constructie zonder asymmetrie en uit­ stekende delen volledig bekeerd tot de idealen van het func­ tionalisme en het Nieuwe Bouwen. De gids heeft de sleutel van een van de huizen, zodat we ook binnen kunnen genie­ ten van de prachtige eenvoud van de nieuwe zakelijkheid van het ontwerp. Op de terugweg van een uitstapje dat ongeveer anderhalf uur in beslag neemt, stopt de bus even op de Wal­ deck Pyrmontkade, waar we een blik kunnen werpen op de chauffeurswoning die Rietveld in 1928 in een functionalis­ tische stijl geheel uit geprefabriceerde elementen liet opbou­ wen achter het veel gewonere, traditionalistisch ontworpen huis van een arts aan de Julianalaan.
Terug naar het museum, waar in de mooi verbouwde paar­ denstallen wisselende exposities te zien zijn, en waar in een voormalig psychiatrisch ziekenhuis aan de Agnietenstraat te­ genover het museum het dick bruna huis is gevestigd. Daar exposeert het Centraal Museum de collectie van een andere Utrechtenaar, tekenaar en ontwerper Dick Bruna, die wereld­ beroemd werd door nijntje. Dat uiterst simpel getekende ko­ nijntje zien we in allerlei vormen te midden van de vele door hun kinderen vergezelde en opmerkelijk vaak uit Azië afkom­ stige bezoekers, maar ook de door Bruna gemaakte omslagen van de boekenserie ‘Zwarte Beertjes’ treffen we er aan. In de designwinkel van het gebouw zijn nijntjes in alle vormen en talen te koop.
Rietveld aan de Erasmuslaan Lange Nieuwstraat
Aan het eind van de Agnie- tenstraat ligt Zonnenburg, het enige bastion dat bij de ontmanteling van de vesting­ werken aan het begin van de negentiende eeuw in de au­ thentieke vijfhoekige vorm is blijven bestaan. Zocher legde zijn plantsoen hier aan rond het huis Zonnenburg, waarin een sterrenwacht werd ge­ bouwd. Dit als museum fun­ gerende Sonnenborgh is met de overblijfselen van het zes- tiende-eeuwse bastion dage­ lijks te bezichtigen.
Op de Agnietenstraat komt alweer een mooie Utrechtse straat uit: de Lange Nieuwstraat, met hier op de hoek het prachti­ ge zeventiende-eeuwse hofje Beyerenskameren. Een mooi, statig achttiende-eeuws huis in de Agnietenstraat kijkt op de inderdaad zeer lange Lange Nieuwstraat uit.* Op nummer 106 bevindt zich het Universiteitsmuseum in een gebouw dat in de jaren negentig is verbouwd door de architect Koen van Velzen. Hier is onder meer veel over de geschiedenis van de in 1636 opgerichte universiteit te zien. Achter het gebouw bevindt zich de Hortus, een niet zo spectaculaire universi- teitstuin met twee statige achttiende-eeuwse gebouwen. In een daarvan is het museumcafé gevestigd.
Verderop in de straat (en aan het einde is steeds mooi de Domtoren te zien) staat het complex dat vroeger behoorde tot een klooster en nu gesplitst is in het Museum Catha- rijneconvent en de Sint-Catharijnekathedraal. Die voor­ malige kloosterkerk stamt uit de zestiende eeuw, maar werd daarna zo vaak verbouwd dat hij er eerder neogotiosch dan gotisch uitziet. Van veel belang is die kerk niet, en dat moet veel katholieken in Utrecht verdriet doen. Want uitgerekend in de stad waar het katholicisme in Nederland begon, waar de bisschop der Friezen en later de aartsbisschop van de afdeling Nederland van de moederkerk ging zetelen, moet het hoog­ ste gezag van die kerk het doen met een wat lullige klooster­ kerk. Want de oorspronkelijke bisschopskerk, de schitterende Dom met de prachtige Domtoren, is ook na het herstel van de rooms-katholieke hiërarchie in 1853 (mogelijk gemaakt door de liberale grondwet van 1848) niet door de protestanten aan 
de oorspronkelijke eigenaars teruggegeven.
Het museum bevindt zich achter een poort naast de kerk niet alleen in het voormalige klooster, maar ook in twee pan­ den waarvan de voorkant aan de Nieuwegracht is gesitueerd. 
Sinds de gebouwen in 1976 samen gingen dienen als ‘Rijks- museum voor de geschiedenis van de christelijke cultuur in Nederland’ zijn ze drie keer verbouwd, de laatste twee keer onder leiding van Hubert-Jan Henket. Daardoor, maar ook omdat het museum zowel katholieke als protestantse mees­ ters moest dienen, is de inrichting niet bepaald eenduidig en harmonisch. Bouwkunstig is het museum vlees noch vis en goed beschouwd nogal lelijk. Toch is het er zeer de moeite waard vanwege enkele prachtige beelden en schilderijen die tot de collectie behoren.
De katholieke en protestantse verzameling bevindt zich vooral op de twee verdiepingen rond om de voormalige kloos­ terhof en in de refter. In die vroegere eetzaal van de monni­ ken zijn prachtige middeleeuwse polychrome beeldjes te zien, en een heel mooi drieluik. In de kloostergangen, waar de ge­ schiedenis van het christendom in Nederland wordt verteld op een wijze die weinig kennis veronderstelt, komen we een aantal verrassende schilderijen tegen. Een niet zo goed geluk­ te Rembrandt, een aardige Saenredam, een mooie Ferdinand Bol, een leuk schilderij van een monnik en een non die de liefde bedrijven, het prachtige portret dat Lucas Cranach van Luther maakte, en het mooie portret van Calvijn door een anonieme Franse schilder. Verder twee prachtige portretten van een predikant en zijn vrouw door de zeventiende-eeuwse schilder Thomas de Keyzer, een mooi portret van een predi­ kantengezin door een zekere W. Hasselt, en een sfeerstuk van de zeventiende-eeuwse schilder en burgemeester van Weesp Gijsbert Sybilla, waarop te zien is dat een protestantse dienst niet zo ongezellig hoeft te zijn als tegenwoordig gebruike­ lijk is. Tussen de oude schilderijen wordt hier en daar ook wat moderne christelijke kunst tentoongesteld.
Nieuwegracht
Ten oosten van de Lange Nieuwstraat loopt, ook in noord- zuidrichting, de Nieuwegracht, gegraven aan het eind van de veertiende eeuw en net als de Oudegracht voorzien van wer­ ven en werfkelders. De Nieuwegracht, die een smallere wa­ terloop heeft, is een stuk rustiger dan de Oudegracht, voor­ al omdat er hier nauwelijks winkels en eet- en drinkgelegen- heden zijn. Het lijkt hier mooi wonen in de monumentale grachtenpanden.
Verder naar het oosten loopt de singelgracht met de Zo- cherplantsoenen aan de vestingkant. Ook hier lijkt het mooi en rustig wonen, bijvoorbeeld in Het Bolwerk tegenover Zonnenburg aan het Servaasbolwerk. Het is een modern woonblok, gemetseld van donkere, enigszins paarse baksteen, aan het begin van deze eeuw naar een ontwerp van awg Ar­ chitecten gebouwd op de plek van een oude Duitse bunker uit de Tweede Wereldoorlog. De sloop van die bunker heeft on­ geveer een half jaar geduurd, een periode waarin 27 explosies
589
Nieuwegracht
Paus Adrianus VI verbleef een groot deel van zijn le­ ven in Spanje. Hij was een van de leermeesters van de jongeman die op vijftienja­ rige leeftijd als Karei I koning van Spanje en vijfjaar later als Karei v keizer werd van het Heilige Roomse Rijk, en heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in Kareis hofhou­ ding. Adrianus was in Spanje
Adrianus vi
nodig waren om het bouwwerk met de grond gelijk te maken.
Verderop langs de prachtig beboomde stadsrand zien we nog veel meer mooie vormen van bewoning. Deftige negen- tiende-eeuwse huizen, maar ook prachtige nederige zeven- tiende-eeuwse huizen aan het Bruntenhof. Aan het voorma­ lige bastion Lepelenburg, waar Zochers plantsoen vooral be­ staat uit een groot veld met een muziekpaviljoen, ligt de enige villa die Utrecht binnen de vestinggracht heeft, het uit 1862 stammende Lievendaal, een huis waar prinses Irene van Lip- pe-Biesterveld rond 1960 enkele jaren heeft gewoond.
Terug naar de Nieuwegracht. Aan het eind daarvan bevindt zich de Pausdam, een naam die refereert aan de enige Neder­ landse paus die de kerk van Rome ooit heeft bestuurd. Paus Adrianus vi (1459-1523), die uit Utrecht afkomstig was, liet hier aan het begin van de Kromme Nieuwegracht in 1517 een huis bouwen, dat er onder de naam Paushuize nog al­ tijd staat.* Het vooral in renaissancistische stijl gebouwde huis valt op door de trapgevel en het metselwerk, waar donke­ re bakstenen lichte afwisselen. Adrianus heeft het huis nooit bewoond; tegenwoordig is het in gebruik bij de provincie Utrecht.
Het gebouw staat met nog enkele tientallen huizen aan een voortzetting van de Nieuwegracht, de Kromme Nieuwe­ gracht, die in een halve cirkel rond de voormalige immuni­ teit van de Sint-Pieter is getrokken. Een immuniteit was een gebied waar de kerk in alle opzichten de baas was en waar de staat of de stad niets te vertellen had. Rijke kanunniken (geestelijken die zich bezighielden met kerkelijke wetten en met het beheer van kerkelijke bezittingen) woonden daar vaak
grootinquisiteur en werd in 1517 benoemd tot kardinaal van Tortosa. Wanneer Karei op reis was buiten Spanje, fungeerde Adrianus als land­ voogd. Zo ook in 1520, toen Karei in Aken was om zich tot keizer te laten kronen. In een aantal Castiliaanse ste­ den brak in dat jaar een op­ stand uit, gericht tegen de koning, die naar de zin van de Castiliaanse adel te veel bezig was met zijn uitver­ kiezing tot keizer en zich te weinig aan Castilië gelegen liet liggen. De zogenaamde Comuneros weigerden te ge­ hoorzamen aan Kareis regent Adrianus en wendden zich tot Kareis moeder, Johanna de Waanzinnige, die niet goed kon beslissen wat ze moest doen. Terwijl Johanna bleef twijfelen, lukte het Adrianus en Karei het leger van de re­ bellen te verslaan, waarna tientallen Comuneros werden onthoofd. Adrianus werd in 1522 paus en bleef behalve trouw aan God ook trouw aan Karei. Door zijn over het algemeen als te streng en te noordelijk geachte pauselijke heerschappij maakte hij zich niet geliefd bij de Romeinse clerus. Toen Adrianus in 1523 stierf, werd er in Rome dan ook nauwelijks getreurd.
in grote huizen. Pas aan het begin van de negentiende eeuw maakte Napoleon een eind aan deze anachronistische situa­ tie. Dit vroegere eiland van de kerk is prachtig bebouwd met huizen die vanaf de straatkant te bereiken zijn door middel van stenen bruggen, waarvan er achttien over de slootachtige gracht zijn gelegd. Dat ziet er erg mooi uit.
Aan het noordelijke eind van de halve cirkel staat op num­ mer 2 een bijzonder woonhuis. Het is een constructie van staal en glas dat rond 2000 is neergezet op een kavel van 3 bij 5,25 meter, die tientallen jaren braak had gelegen. Archi­ tect Hans Sluijmer heeft het op deze kleine oppervlakte voor elkaar gekregen 117 vierkante meter woonruimte te maken. "" 
Dat lukte hem door zeven verdiepingen te bouwen, waarvan 591 twee onder het straatniveau. Om te voorkomen dat de bewo­ ners veel zouden moeten traplopen, heeft Sluijmer er twee keukens, twee badkamers en drie wc’s in aangelegd. Tegen­ over het huis bevindt zich op de hoek van de Jansdam en de Keistraat het grote pand van een voormalige herensociëteit die in de negentiende eeuw werd gebouwd en waarin tegen­ woordig café-restaurant Polman’s Huis gevestigd is.
Pieterskerkhof
Binnen de halve cirkel van de voormalige immuniteit van Sint-Pieter bevindt zich op het prachtige, lommerrijke Pie­ terskerkhof de Pieterskerk, een vroegromaanse kerk die in
Huis Kromme Nieuwegracht
592 Met ongeveer 30.000 stu­ denten van de Utrechtse universiteit en iets meer dan 30.000 studenten aan de di­ verse hogescholen en ROC's, overheerst de jeugd op vele plaatsen in Utrecht (vooral in de uitgaansbuurten) het stadsbeeld.
1048 werd ingewijd. Volgens architectuurhistorici is het best bewaarde kerk uit die tijd benoorden de grote rivier maar de Waalse kerk, die het gebouw in bezit heeft, stelt ï zelden open voor publiek. Dat is jammer, want de kerk, c in de loop der eeuwen flink beschadigd is en tijdens de to nado van 1674 zelfs de hele westgevel met de beide torens j kwijtgeraakt, schijnt binnen mooi gerestaureerd te zijn. Ooi de crypte met de sarcofaag van de stichter van de kerk, bis- schop Bernold, ziet er, voor zover mogelijk, weer elfde-eeuws uit, zo wordt gezegd.
Bernold was van 1027 tot 1054 bisschop van Utrecht en namens de paus geestelijk heerser en namens de keizer van het Heilige Roomse Rijk wereldlijk heerser van een gebied dat ongeveer bestond uit de huidige provincie Utrecht, de Betuwe, de Veluwe, Salland, Twente en een groot deel van Friesland en Groningen. Tijdens zijn ambtsperiode begon de bouw van het zogenaamde Utrechtse kerkenkruis, vier kerken die met de Dom als middelpunt een christelijk kruis vormden. 
De Sint-Pieter verrees in het oosten, de Sint-Jan in het noor­ den, de kerk van de Sint-Paulusabdij in het zuiden en de Ma- riakerk een halve eeuw later onder Bernolds opvolger in het westen.
Op die manier liet Bernold zien dat het hemelse Jeruza­ lem in zijn stad was verwezenlijkt en dat de glorie van God er op schitterende wijze werd gediend. Ook was het kruis een eerbetoon aan Koenraad 11, van 1024 tot 1039 keizer van het Heilige Roomse Rijk, die in Utrecht stierf en wiens ingewan­ den in de Dom zijn begraven. De Janskerk en de Pieterskerk staan nog overeind, van de Mariakerk rest nog de kloosterhof, en van de Paulusabdij slechts een fragment van de gevel, te zien in de Hofpoort, een zijsteeg van de Nieuwegracht.
Janskerkhof
Wanneer we in noordwestelijke richting gaan, komen we al snel op het Janskerkhof, dat wel lommerrijk, maar veel min­ der idyllisch is dan het Pieterskerkhof. Het plein maakt deel uit van de belangrijkste noord-westverbinding van Utrecht, zodat het er altijd druk is. De verbinding is aan het begin van de twintigste eeuw gemaakt en gaat via het Vredenburg, de Lange Viestraat, de Potterstraat en de Lange Jansstraat over het Janskerkhof, waarna hij via de Nobelstraat dwars over het Lucasbolwerk aan de andere kant van de singelgracht naar het oosten gaat. Omdat het ook de voor de hand liggende route is van het station naar het universiteitscentrum De Uithof, is het er ook altijd druk met fietsers.* De Sint-Janskerk ligt er aan de rand van deze drukte wat verloren bij. In de loop der eeuwen is er nogal wat aan de architectuur veranderd en vooral binnen is de kerk niet veel meer dan een overdekte markthal. Hij wordt dan ook vooral gebruikt voor feesten en partijen, en is zelden open voor an­ der bezoek. Voor de kerk staat een klein standbeeld van Anne Frank, ontworpen door Pieter d’Hont (1917-1997) en ont­ huld in 1959. Aan de overkant van de weg zien we een groot ruiterstandbeeld van Willibrord (circa 658-739), de eerste
Aan de overkant van de sin- gelgracht, in een zijstraat van de Biltstraat, is in de Kruis­ straat 313 het Moluks His­torisch Museum gevestigd. 
Daar wordt geprobeerd de bezoekers vooral een beeld te geven van de geschiede­ nis van de Molukkers in Ne­ derland vanaf 1951. Er is bij­ voorbeeld een replica te zien van een woning in het kamp Lunetten te Vught, er is een ongelofelijke uitspraak te le­ zen van mr. H. L. s'Jacob, die in 1950 en 1951 minister van Oorlog was ('Vught is een ide­ ale kampong; de 2500 a 3000 Molukkers kunnen er naar hartelust kokkerellen en kip­ pen houden en hout is er in overvloed.'), maar veel is er in het rommelige en wat ama­ teuristische museum niet te zien. De Museumkranten die er te koop zijn geven een be­ ter zicht op de geschiedenis van de Molukkers. (Voor meer over de geschiedenis van de Molukkers in Nederland zie het hoofdstuk 'Midden-Dren- the'.)
aartsbisschop van Utrecht. Het beeld is gemaakt door Albert Termote (1887-1978) en zou in 1939, 1200 jaar na de dood van de als nederige monnik afgebeelde missionaris, geplaatst worden. Vanwege de oorlog is dat uitgesteld tot 1947.
In een statig gebouw achter Willibrord bevindt zich nh Centre Utrecht, een aangenaam hotel met ruime kamers en kleine badkamers. Vooral in het weekend valt de prijs van zo’n kamer mee. Iets verderop zien we een groot monument, bestaande uit een flink natuurstenen bouwwerk met reliëfs, waarop het bronzen beeld van de in een stoel gezeten fysio­ loog en oogheelkundige F.C. Donders (1818-1889) *s ge~ plaatst. Het beeld is gemaakt door Toon Dupuis (1877-1937) en onthuld in 1921.
Op weg naar het Lucas Bolwerk zien we op de hoek van de Drift en de Nobelstraat een groot grijs gebouw in een neo- romaanse fantasiestijl, dat in gebruik is bij de universiteit, en verderop een prachtig bouwwerk uit de jaren twintig met gele bakstenen boven en rode bakstenen onder, dat als zalencen­ trum wordt gebruikt. Van beide gebouwen heb ik de archi­ tect niet kunnen vinden. Aan een groot gazon van het Lu­cas Bolwerk staat een gebouw dat goed te herkennen is als een Dudok. W.M. Dudok (1884-1974) ontwierp de Stads­schouwburg aan het eind van de jaren dertig, waarna het in 1941 werd geopend. Het gebouw wordt niet als een van zijn meesterwerken beschouwd, maar met de typische licht­ gele Dudok-tegels, die gemetseld zijn over vaak heel grote oppervlakten, is het wel zeer herkenbaar. De gebogen entree met het schuine baldakijn doet aan Theater Gooiland denken, dat de architecten Duiker en Bijvoet een paar jaar eerder in Hilversum bouwden. De schouwburg is rond 1990 verbouwd en aangepast en vooral binnen is hij daar niet van opgeknapt. 
Het trappenhuis is nog altijd mooi, want authentiek, de zaal is ook niet slecht, maar de vele foyers op de diverse verdiepin­ gen zijn met verlaagde plafonds en postmodern meubilair en kitscherige prullaria totaal verziekt.
Tegenover de schouwburg staan aan het Lucas Bolwerk veel deftige huizen, en als we de singels van de voormalige vesting volgen naar het noorden en, als we niet verder kun­ nen, naar het westen gaan, blijft het chic, en mooi ook. Bij­ voorbeeld aan de Van Asch van Wijckskade, waar in het mid­ den van de negentiende eeuw (toen Zocher bezig was met zijn plantsoenen) een rij huizen werd neergezet die het zicht op de wat minder fraaie stadsdelen moest afschermen. Door het neerhalen van de stadswallen en de vestingwerken zou hier anders een vrij zicht ontstaan op de wat armoedige ie en 2e Achterstraat.*
Centraal in de binnenstad staat de gotische Dom van Utrecht, waarvan de eerste steen gelegd is in 1254 en die aan het eind van de vijftiende eeuw gereed was. Dat wil zeggen: het schip van de kerk was nog niet met stenen overwelfd en er ontbraken nogal wat steun gevende luchtbogen, dus echt af was de Dom nog niet. Dat is onder meer de oorzaak geweest dat het schip instortte tijdens een tornado die in 1674 Utrecht en omgeving teisterde. Sindsdien zit de stad met een incom­
593
plete Domkerk. Er resten slechts het koor, het dwarsschip en de toren, die sinds 1674 los van de kerk staat.*
594 Op de plaats van het ver­ woeste schip, het huidige Domplein, zijn de ruïneuze resten nog lange tijd blijven liggen. Aan het begin van de achttiende eeuw was het daar een ontmoetingsplek voor homoseksuelen, sodomieten, zoals ze in die tijd werden ge­ noemd. In 1730 werden op die plek achttien mannen ge­ arresteerd op beschuldiging van sodomie. Na een proces werden ze in 1731 alle acht­ tien ter dood gebracht. Sinds deze Utrechtse homoseksu­ elenaffaire is 'Utrechtenaar' een in de Nederlandse taal ingeburgerde benaming voor homoseksueel. De uitdruk­ king 'Hij komt achter de Dom vandaan' werd ook in deze betekenis gebruikt.
De tot ascese geneigde grondlegger van de Moderne Devotie, Geert Grote (1340- 1384), maakte zich kwaad over de pronkerige Dom en vooral over de naar zijn idee veel te grote toren. In een ver­ handeling Tegen de Utrechtse toren schreef hij onder meer: 'Uit de trots en monsterach­ tigheid van de toren kunnen we wel opmaken hoe men zich verder het geheel, te we­ ten het koor en de rest van het kerkgebouw, zowel wat
Kapot altaarstuk kapel Jan van Arkel in de Domkerk
De Domtoren is met zijn 112 meter de trots van Utrecht, ook al omdat hij de hoogste toren van Nederland is. Hij is op­ gebouwd uit drie bouwkundig zeer verschillende delen: een fortachtig, massief vierkant als onderstuk, een iets eleganter vierkant als tussendeel en een zeer luchtig achthoekig boven­ stuk met een spits als bekroning. Wat rest van de kerk is nog altijd een prachtig voorbeeld van ‘de nieuwe Franse stijl’, zo­ als de gotische architectuur in de dertiende eeuw werd ge­ noemd. De Dom (het huis - domus - van de bisschop, syno­ niem aan kathedraal, de zetel - cathedra - van de bisschop) is sinds 1580 een protestantse kerk en is in de loop van de eeu­ wen, op het omhulsel na, vrijwel alle reminiscenties aan de moederkerk kwijtgeraakt.* In het gebouw, dat tegenwoordig eerder een museale dan een religieuze functie heeft en daardoor van god los lijkt, is een goed voorbeeld van de zestiende-eeuwse reformatiegolf te zien in een kapel gewijd aan de veertiende-eeuwse bisschop Jan van Arkel. Daar zien we een middeleeuws altaarstuk waar van alle personages (onder wie de heilige Anna, de hoofdper­ soon van het retabel) de hoofden zijn afgeslagen. Een protes­ tants affront zien we op de plek van het hoogaltaar. Waar zich vóór 1580 het lichaam en het bloed van Jezus Christus bevon­
de opsmuk als de afmetingen betreft, voorstelt. Een toren heeft geen ander nut dan dat men er klokken in kan op­ hangen. Die kunnen echter in een heel wat lagere toren worden aangebracht.' Zijn tirade tegen de ijdelheid, de pronkzucht en de zelfverhef­ fing zou van een zestiende- eeuwse protestant afkomstig kunnen zijn.
den, staat nu een door Rombout Verhuist gebeeldhouwd ba­ rok praalgraf van Willem Joseph van Gendt, een in 1672 ge­ sneuvelde admiraal.
Unie van Utrecht
Naast de kerk bevindt zich de mooie vijftiende-eeuwse goti­ sche kruisgang met pandhof, die de verbinding vormt tus­ sen de kerk en de kapittelzaal. Die zaal maakt tegenwoordig deel uit van het academiegebouw en fungeert daar als aula. 
De in gotische stijl gebouwde zaal, waar de kanunniken van de Dom vergaderden, was in 1579 de locatie van een belang­ rijke gebeurtenis in de vaderlandse geschiedenis. In reactie op de Unie van Atrecht, waarin de zuidelijke gewesten Arte- sië en Henegouwen zich weer tot het Spaanse kamp verklaar­ den, verenigden Holland, Zeeland, Gelre, Utrecht en Gro­ ningen zich in de Unie van Utrecht, waarbij zich later een aantal Vlaamse en Brabantse steden aansloten. Zij verklaar­ den dat zij de strijd tegen de Spanjaarden zouden voortzet­ ten en dat de afzonderlijke gewesten zelf de ‘godsdienstkwes­ tie’ mochten regelen. Historici zien dit Unie-manifest als een begin van een grondwet van een Noord-Nederlandse Repu­ bliek in statu nascendi. Jan van Nassau (1536 -1606), de broer van Willem van Oranje, speelde een belangrijke rol in de or­ ganisatie van de Utrechtse vergadering en heeft van de stad dan ook een fier standbeeld gekregen op het Domplein. Het is van de beeldhouwer J. Th. Stracké (1817-1891) en hier in 1883 onthuld.
Het foeilelijke academiegebouw in de hoek van het plein is er aan het eind van de negentiende eeuw gekomen na een felle strijd tussen voorstanders van een neogotisch en een neorenaissancistisch bouwwerk. In lijn met de gotiek van de Dom en de kruisgang lag een neogotisch gebouw voor de hand, ontworpen door de man die Nederland in die tijd volbouwde met vooral neogotische kerken, P.J. H. Cuypers. 
Maar de universiteit vond uiteindelijk toch dat verwijzingen naar het humanisme en de Griekse Oudheid meer voor de hand lagen, en koos voor een neorenaissancistisch ontwerp van twee architecten die niet ten onrechte in de vergetelheid zijn geraakt. Cuypers mocht wel een poortje maken dat naar de door hem gerestaureerde pandhof en kruisgang leidde, en ook was hij de restaurateur van de kapittelzaal.
Ten westen van de Dom, aan de overkant van het water van de Oudegracht, staat op het mooie, lommerrijke Buurkerkhof de Buurkerk, de oudste parochiekerk van de stad, die geen deel uitmaakte van het heilige kerkenkruis, maar bestemd was voor het gewone kerkvolk. De prachtige toren, die het best te zien is vanaf de Mariaplaats (zie eerder), is uit de veertiende eeuw en de kerk zelf is vooral vijftiende- en zestiende-eeuws. 
Dat wil zeggen: het gebouw fungeert niet meer als kerk, maar als Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement. Op de verder witgepleisterde muren zijn hier en daar (bij een ta­ feltje in het café, bij de kassa van het winkeltje bijvoorbeeld) nog wat fresco’s te zien, maar verder staat het gebouw, waar-
595
596
Domtoren vanaf Buurkerkhof
van in de zestiende eeuw ten behoeve van het verkeer al het hele koor werd gesloopt (de huidige Choorstraat), in dienst van een waanzinnig aantal automatische muziekinstrumen­ ten, carillonklokken, speeldozen, pianola’s, buikorgels, au­ tomatische orkesten en draaiorgels. Wie ze wil horen spelen, moet zich onderwerpen aan een rondleiding.
Vanwege een veertiende-eeuwse uitbreiding van de Buur­ kerk moesten de bestuurders van de stad, die kantoor hielden op het Buurkerkhof, verhuizen naar de plek waar ook nu nog het stadhuis is gevestigd, aan en om de Stadhuisbrug over de Oudegracht. Het is een complex van gebouwen dat in de negentiende eeuw aan de zijde van de gracht een nogal saai neoclassicistisch uiterlijk heeft gekregen en dat aan de achter­ kant, aan de Ganzenmarkt en de Korte Minderbroederstraat, aan het eind van de twintigste eeuw flink is aangepast door de Spaanse architect Enric Miralles (1955-2000). ‘Deconstructi­ vistisch’ wordt zijn stijl wel genoemd; ‘kermisarchitectuur’ is ook een passende benaming.
Hier, bij de bocht van de Oudegracht Weerdzijde, bevinden we ons in het drukste deel van de stad. De werven staan vol met terrassen van de vele eet- en drinkgelegenheden, en ook aan de gracht zijn veel cafés en restaurants gevestigd, waar­ onder de Winkel van Sinkei, dat naast het bioscoopcomplex Camera-Studio is gevestigd in een spectaculair pand dat de
Oudegracht Weerdzijde met stadskasteel Oudaen
Duitse winkelier Anton Sinkei hier in 1839 opende en dat daarna lange tijd als bankgebouw diende, totdat het in 1995 een ‘cultureel culinair centrum’ werd. Opvallend aan het gele neoclassicistische gebouw zijn vooral de vier gigantische giet­ ijzeren kariatiden, de beelden van in klassieke Griekse gewa­ den gehulde vrouwen die als zuilen dienen.
In een veel ouder gebouw aan de overkant, voorbij de bocht, is ook een restaurant gevestigd. Het is stadskasteel Oudaen op nummer 99, dat in 1275 werd gebouwd voor de machti­ ge familie Zoudenbalch. In zijn oorspronkelijke gedaante had het gebouw spitsbogenvensters en een rij kantelen. Na een verbouwing in de zestiende eeuw kreeg het ongeveer de vorm waarin we het nog altijd kasteelachtige bouwwerk tegenwoor­ dig kunnen bewonderen. Tegenover Oudaen zien we de ach­ terkant van een opmerkelijk gebouw waarvan de ingang aan de Neude ligt. Het bakstenen kasteel op dat lelijke plein is het postkantoor, dat tussen 1917 en 1924 werd gebouwd naar een ontwerp van J. Crouwel jr. (1885-1962). Vooral binnen is het een wonder van twintigste-eeuwse bouwkunst. De hal is overspannen door parabolische bogen van geglazuurde gele baksteen met versieringen van zwarte glanssteen, en verder zien we gebeeldhouwde stenen en decoraties die invloeden van de Amsterdamse School vertonen. Het is te hopen dat het gebouw, dat rond 2010 door de post zal worden verlaten, een baas krijgt die deze fantastische walviskakenhal in ere houdt.
Ten zuiden en westen van de grote bocht van de Oudegracht bevindt zich het autovrije winkelcentrum van de stad. De noordelijke begrenzing van dit drukke gebied heet Vreden- burg, de straat die voert naar het station, waar wij onze rond-
597
gang door Utrecht begonnen. Net als in het gebied rond het station (zie eerder) wordt ook hier hard gewerkt aan een ver­ betering van de belangrijkste ingang van de stad. Het be­ langrijkste werk is de bouw van het Muziekpaleis, dat op de plaats komt van het voormalige Muziekcentrum Vredenburg, een gebouw uit de jaren zeventig dat voor het grootste deel is gesloopt.
De architect die het laagdrempelige en antihiërarchisch be­ doelde muziekcentrum ontwierp, Herman Hertzberger, heeft een nieuw ontwerp gemaakt voor het Muziekpaleis, waarin de grote zaal van het oude centrum zal blijven bestaan. Deze zaal met het podium in het midden is het enige deel van het ge­ bouw geweest dat aan weinig kritiek onderhevig is geweest; in ieder geval was de akoestiek goed. De rest van het muziekcen­ trum heeft nooit veel waardering gekregen. De smoezelige, grijze betonnen buitenkant was zo anti theatraal dat het eerder een wijkgebouw of buurtcentrum leek; binnen was het er een claustrofobisch doolhof.
Het nieuwe Muziekpaleis, dat waarschijnlijk in 2013 open­ gaat, wordt een grote glazen doos, waar de boven elkaar lig­ gende zalen door de glazen gevel zichtbaar zullen zijn. Hertz­ berger, die zelf een nieuwe zaal voor kamermuziek bij draagt, werkt samen met de architecten Jo Coenen (de popzaal), Thijs Asselbergs (een zaal voor jazzmuziek) en nl Architects (de zogenaamde cross-overzaal).
Aan de noordzijde van het Vredenburg bevindt zich op nummer 28 restaurant Paradijs. In een terloopse ambiance worden daar heerlijke, authentieke Chinese gerechten geser­ veerd voor een zeer redelijke prijs.
Buiten de singels
Voor een tochtje buiten de voormalige vesting, eerst naar het westen en dan via het zuiden naar het oosten van de stad, is een fiets het handigste vervoermiddel. Vanaf het station gaan we dan over het wellicht al geheel vernieuwde, ondertunnel- "" de Westplein (zie eerder) naar de Kanaalstraat. Deze van veel 599 exotische winkels voorziene straat gaat dwars door Lombok, een wijk die rond 1900 is gebouwd naast de vele industrie­ ën die zich hier bevonden en die ondertussen allemaal ver­ dwenen zijn. Lombok werd door de gezinshereniging van ve­ le Marokkaanse en Turkse arbeiders in de jaren zeventig en tachtig de eerste multiculturele wijk van Utrecht en is met ongeveer de helft aan inwoners van allochtone afkomst zeer multicultureel gebleven.
In de van opmerkelijk veel groentewinkels en enkele eet­ huisjes voorziene Kanaalstraat valt op nummer 221 Jasmijn & ik op, een restaurant met een Aziatische keuken. In een 
Kanaalstraat
prettige, smaakvol ingerichte omgeving worden daar Thaise, Vietnamese, Cambodjaanse en Chinese gerechten geserveerd die zeer verfijnd zijn. De gerechten luisteren naar poëtisch bedoelde namen als ‘Mooie mantel in de lente’ (een peking- eendgerecht), ‘Het sprankelend maanlicht over de groene heuvel’ (spinaziesalade met inktvis) en ‘Warme zonsopgang over de zoete zee’ (kleefrijst met fruit), en zijn erg lekker. Het is er iets duurder dan in een doorsnee Chinees restaurant, maar de prijzen zijn zeer redelijk voor wat er aan heerlijks ge­ boden wordt.
Na de brug over de Oude Rijn gaan we via de Groeneweg linksaf naar het Merwedekanaal, waar we via twee bruggen
Koninklijke Nederlandse Munt
De prachtige brug die hier op de kruising van het Merwe- dekanaal en de Leidse Rijn in de Leidseweg is gelegd, is van eerdere datum dan de Munt. 
De ijzeren draaibrug dateert waarschijnlijk van 1887, net als de mooie gietijzeren lan­ tarenpalen op de leuning.
over een eiland in het kanaal aan de overkant komen, op de zeer aangename, van aardige huizen voorziene Kanaalweg. 
Aan het eind van het park Oog in Al hebben we een mooi uitzicht op het in 1912 door de toenmalige rijksbouwmees- ter C.H. Peters (1847-1932) ontworpen gebouw van de Ko­ ninklijke Nederlandse Munt en op de pittoreske ophaal­ bruggen over de Leidse Rijn.*
Aan de andere kant van het park, in de Robert Schumann- straat, bouwde Gerrit Rietveld in 1932 een blok woningen, die een vervolg zouden worden op het blok dat hij aan de Erasmuslaan ontwierp (zie eerder), maar vanwege bezuini­ gingen verviel de derde verdieping. Ondanks de wat nederi­ gere indruk zijn het prettig uitziende woningen geworden in een degelijke functionalistische stijl met witte gevels en grijze kozijnen.

Verderop aan de Kanaalweg, voorbij de parkeerplaatsen van het Jaarbeurscomplex, waarvan de achterzijde door mid­ del van een mooie, witte, vierkante brug met de parkeerplaat­ sen is verbonden, zien we op nummer 64 een witte villa, ge­bouwd in een stijl die een kruising tussen de Nieuwe Zake­ lijkheid en art deco zou kunnen worden genoemd. Wellicht verkeert het gebouw nog altijd in bouwvallige staat, sinds het is verlaten door het ministerie van Defensie, dat het terrein in 1955 in gebruik nam, maar misschien is het ondertussen op­ geknapt.
De villa behoort tot een complex dat aan het einde van de jaren dertig werd gebouwd door Jan Jongerius (1888-1941), een ondernemer die sinds 1935 de officiële Ford-dealer van Midden-Nederland was. Jan Ford, zoals hij werd genoemd, had in Amerika allerlei vormen van nieuwe architectuur ge­ zien, onder meer van Frank Lloyd Wright waarschijnlijk, en besloot op het terrein aan het Merwedekanaal waar hij zijn bedrijf had, een villa en een kantoor te bouwen in een Ame­ rikaanse stijl. Zonder architect, maar met behulp van een be­ vriende staalconstructeur ontwierp hij twee gebouwen van ar­ chitectonisch hoge kwaliteit. Het kantoorgebouw heeft on­ dertussen allerlei vervelende veranderingen ondergaan, maar de villa staat er nog in zijn oude gedaante. Die villa zal vanwe­ ge een toegekende monumentenstatus blijven, het kantoor­ gebouw maakt grote kans te worden afgebroken.
Wanneer we dan voorbij allerlei bedrijvigheid via de vol­ gende brug in de richting van het centrum gaan, komen we op de Vondellaan een voorbeeld van hedendaagse bouwkunst tegen. Het is een gigantisch schoolgebouw, waarin het Gra­ fisch Lyceum en het Montessori College gehuisvest zijn. Het is hier in de jaren negentig neergezet naar een ontwerp van Erick van Egeraat en omsluit aan drie zijden een plein, waar (ook door Van Egeraat) aan de vierde zijde een blok woningen is gebouwd. Aan dit plein bevindt zich de ingang in een wig­ vormige hoek, waarbinnen we een receptiekiosk zien en een door zuilen gedragen auditorium. Het hele gebouw wordt omgeven door een glaswand die niet alleen een spouw vormt voor de klimaatregeling, maar ook zorgt voor het spectaculai­ re aanzicht.


Wanneer we van hier onder het spoor door gaan in de rich­ ting van het centrum, komen we uit bij de singelgracht tussen de voormalige bastions Sterrenburg en Manenburg. Van daar maken we een uitstapje naar het oosten van de stad en be­ ginnen aan de prachtige Maliesingel, waar we een goed zicht hebben op de bewaard gebleven vestingwerken van bastion Zonnenburg. Ten oosten van de Maliesingel bevindt zich in het voormalige station Maliebaan het Spoorwegmuseum
Het station werd in 1874 gebouwd, waarschijnlijk naar een ontwerp van A. L. van Gendt (1835-1901), de architect die later veel in Amsterdam zou bouwen en daar vooral bekend werd door zijn Concertgebouw. Aan het begin van deze eeuw is het gebouw flink opgeknapt, waarbij de restaurateur koos voor roze en paarse verf voor de buitenkant, wat het geheel een kermisachtig uiterlijk verleent.
Binnen zien we de mooi gerestaureerde koninklijke wacht­ kamer, de wachtkamer derde klasse en de restauratie, waarna we in een zeer op kinderen ingestelde museumindeling in al­ lerlei ‘werelden’ komen, thema’s dus, waarin moderne mu­ sea hun collectie graag indelen. Binnen die werelden komen we in een gigantisch museumcomplex veel leuks en interes­ sants tegen, in ieder geval veel modeltreinen, de restauratie­ wagen van de Oriënt Express, een kiosk waar prachtige film­ pjes worden vertoond, een stoomlocomotief met uitleg, tien­ tallen schilderijen met de spoorwegen als onderwerp en heel veel locomotieven en rijtuigen op ware grootte uit vroeger tij­ den. Het museum is per speciale Spoorwegmuseumtrein ook te bereiken vanaf het Centraal Station.
Oud-wijk
Het museum ligt in Oudwijk, een buurt met hier en daar mooie huizen uit de jaren twintig, veel bomen en een prachtig park. Aan de Homeruslaan, waar vooral huizen in een soort Amsterdamse Schoolstijl staan, bevindt zich het Stedelijk Gymnasium, dat in de jaren twintig is ontworpen door ge- meentearchitect J.I. Planjer, die we eerder zijn tegengeko­ men bij het Louis Hartlooper Complex. Hier lijkt Planjer zeer geïnspireerd te zijn geweest door Dudok. Ook in deze buurt bevinden zich de ontwerpen van Rietveld, die we heb­ ben bezocht vanuit het Centraal Museum: de chauffeurswo­ ning aan de Waldeck Pyrmontkade, het Rietveld-Schröder- huis aan de Prins Hendriklaan en het blok woningen in de stijl van het Nieuwe Bouwen aan de Erasmulaan.

Het Rietveld-Schröderhuis ligt aan een soort studenten- fietsbaan, die vanaf het station naar het universiteitscomplex De Uithof gaat via de route Vredenburg, Janskerkhof en No- belstraat, en dan buiten de singels verdergaat via de Nachte­ gaalstraat en de Reigerstraat naar het Wilhelminapark. De route gaat hier over ’t Loolaantje, waar we het mooie, met riet gedekte pand zien van restaurant Wilhelminapark, dat on­ der leiding staat van Jon Sistermans, een kok die in de jaren zeventig en tachtig een van de grondleggers was van de nou­ velle cuisine in Nederland. Het bekendst werd hij met restau-

Aan de Johan Buziaulaan ten noorden van de Weg tot de Wetenschap staat op nummer 25 een huis dat aan het eind van de jaren zeventig werd ontworpen door Ton Alberts (1927-1999). Deze architect is bekend geworden door zijn organische bouwkunst, waarin hij rechthoekige vor­ men meed als de pest. Zijn bekendste gebouwen zijn die van de Gasunie in Groningen en de ING Bank in Amster- dam-Zuidoost. Hij werkte sa­ men met Max van Huut, met wie hij bureau Alberts & Van Huut had. Na de dood van Alberts zette Van Huut het or­ ganische bouwen in zijn een­ tje voort en gleed met lelijke, schots en scheve architectuur af naar een soort organische confectiebouwkunst, waarvan vele tientallen voorbeelden Nederland op vele plekken teisteren. Aan de Johan Buziaulaan is te zien dat Alberts in zijn eentje van baksteen heel acceptabele architectuur kon kneden.
rant De Kersentuin in Amsterdam, dat hij samen met Joop Braakhekke leidde. Over de kwaliteit van zijn huidige res­ taurant wordt door kenners zeer verschillend gedacht.

Het standbeeld van koningin Wilhelmina dat we hier vlakbij zien, is van de hand van Mari Andriessen (1897-1979) en werd ont­ huld in 1968. ’t Loolaantje komt uit op de Prins Hendriklaan met links het Rietveld-Schröderhuis, waarna we onder het viaduct door gaan en langs de voormalige Kromhout Kazerne komen, die tegenwoordig het internationaal georiënteerde University College van de Universiteit Utrecht huisvest. De studenten- fietsbaan gaat hierna over de Sophocleslaan en de Platolaan verder door een wijk met veel bungalows, waar hij uitkomt op de Weg tot de Wetenschap, die voert naar universiteitscentrum De Uithof.*

De universiteit Educatorium
De Uithof is langzamerhand een prachtige uitstalkast aan het worden van hedendaagse Nederlandse architectuur, zodat een bezoek niet alleen voor studenten de moeite waard is. Op een terrein waarvoor de Office for Metropolitan Architecture van Rem Koolhaas in 1985 een masterplan heeft gemaakt, is ondertussen een aantal gebouwen gerealiseerd van een zo ho­ ge kwaliteit dat ze in diverse architectuurjaarboeken geprezen worden. Koolhaas bouwde in het midden van de jaren negen­ tig aan de Leuvenlaan zelf het Educatorium, een verzamel­ gebouw waar alle veertien faculteiten elkaar treffen. De ten­ tamenzalen, collegezalen en het restaurant worden verbon­ den door hellingbanen (een specialiteit van Koolhaas), waar de naar boven of naar beneden lopende bezoeker geconfron­ teerd wordt met zeer veel bouwmaterialen (een andere speci­ aliteit van Koolhaas). Buiten valt vooral de grote krul op, een geplooide plaat beton die een vloeiende overgang vormt van de vloer naar het dak.
Het Educatorium staat naast het 75 meter hoge Willem C. van Unnikgebouw, dat hier in 1968 als een van de eerste gebouwen van De Uithof tot stand kwam. Voor, of ei­ genlijk onder die wolkenkrabber zien we de Basket Bar, in 2003 gebouwd naar een ontwerp van nl Architects. Het dak is een basketbalveld, dat wordt omgeven door glazen wanden, en onder het veld bevinden zich een boekhandel en een bar. 
Daarnaast is een opvallend oranje gekleurd verdiept terras ge­ maakt.
Tegenover deze gebouwen, en door een luchtbrug verbon­ den met het Educatorium, is aan het begin van deze eeuw aan de Heidelberglaan de Universiteitsbibliotheek verre­zen, een ontwerp van Wiel Arets. Het is een prachtig streng en stijlvol bouwwerk van zwart glas en beton, dat binnen iets vriendelijker blijkt. Op de begane grond bevindt zich espres­ sobar Gutenberg, vanwaar we uitkijken op de mooie bin­ nentuin. Daar kunnen we ook goed zien dat het zwarte glas bestaat uit panelen met mooie gezeefdrukte patronen van wil­ genbomen en wilgenbladeren.
Een spectaculair gebouw uit de jaren negentig staat in het westelijke gedeelte van de Leuvenlaan. Het is het Minnaert­ gebouw van Neutelings Riedijk Architecten, genoemd naar de in België geboren astronoom Marcel Minnaert (1893- 1970), die lange tijd in Utrecht werkte, onder meer als direc­ teur van de sterrenwacht. De letters minnaert maken deel uit van de constructie van een gebouw dat van buiten is be­ kleed met roestkleurig spuitbeton. Binnen heeft het gebouw een prachtige, grote hal met een vijver van vijftig meter leng­ te, waarin zich het regenwater verzamelt dat wanneer het re­ gent vanaf het dak via enige trechters de vijver in klettert. In de wand aan de overzijde van dit impluvium zijn prachtige werkruimtes gemaakt in de vorm van een soort gefiguurzaag­de treincoupés.